10. 24 februari 1989

Een belangrijk uitgangspunt in de sociaaldemocratie, is de stelling, dat een overheid verantwoordelijk is voor het welzijn van de burgers in de samenleving die door haar bestuurd wordt. Veiligheid en vrede, zorg voor goede huisvesting en voldoende voedsel voor al haar burgers is in die visie een taak die is weggelegd voor de overheid. Het aan het maatschappelijk spel van vrije ondernemingen overlaten van deze fundamentele taken kan dus nooit onderdeel zijn van een sociaaldemocratisch beleid, niet nationaal en ook niet gemeentelijk. Het verhaal van de terugtredende overheid is dus altijd een rechts verhaal. De regering is tegen een gemeentelijke inkomenspolitiek, want dat geeft maar ongelijkheid. De armoede in Groningen en Maastricht moet net zo groot zijn als die in Leiden of Wassenaar. De regering gaat daarmee voorbij aan het feit, dat veel gemeentes, ook de niet-sociaaldemocratische, zich wel verantwoordelijk voelen voor het welzijn van hun burgers. Die zoeken dus naar eigen mogelijkheden. In het blad Elsevier las ik onlangs een artikel over de zeer grote vindingrijkheid, die sommige gemeentes aan de dag leggen. Daarom is er toch ongelijkheid, want de rijke gemeentes hebben meer mogelijkheden voor het stichten van eigen steunfondsen dan de armere gemeentes, zoals Leiden. Want die steunfondsen worden gevoed uit de gemeentebegroting. En arme gemeentes hebben minder geld om vrij te maken dan de rijke gemeentes. Kwijtschelding van onroerend goedbelasting bijvoorbeeld is voor een rijke gemeente nu eenmaal makkelijker dan voor een arme gemeente.

De sociaaldemocraat is dus op zijn hoede wanneer hij ziet, dat deze taken wel vanwege een overheidsbeleid aan de vrije krachten of aan de samenleving zelf worden overgelaten, zonder sturing door die overheid. Dan ontstaat er vrijwel zeker een junglemaatschappij, want zorgzaam is de kapitalistische maatschappij nu eenmaal niet. Het recht van de sterkste geldt en de zwakkeren worden afhankelijk van de goedgeefsheid van de sterkeren. Dan is een tweedeling van de maatschappij het afschuwelijke gevolg. Dan ontstaat er een maatschappij met een bovenkant en een onderkant. De sociaaldemocraat streeft dan toch naar een overheidsbemoeienis om de rampzalige gevolgen van een 'dat zoekt de samenleving zelf maar uit'-beleid tegen te gaan. In de Tweede Kamer wordt er dan hard gevochten, maar ook binnen de gemeente laaien de discussies hoog op. De gemeente moet actief worden om de armoede tegen te gaan. Er worden morele argumenten aangewend, want in een beschaafde maatschappij als het onze is armoede ontoelaatbaar. De vrucht van ruim honderd jaar arbeidersstrijd mag niet zonder slag of stoot worden opgegeven.

Er verschijnen rapporten en beleidsnota's. Er worden allerlei suggesties geopperd om werkgelegenheid te scheppen, terugploegregelingen worden voorgesteld en nog veel meer. Boekenkasten worden langzamerhand vol met dit soort nota's. Er wordt vergaderd en gepraat. Ondertussen gebeurt er niets en worden de gesignaleerde problemen steeds schrijnender. In Leiden zijn die problemen er. Daar beëindigt de onderkant de lidmaatschappen van sportclubs, abonnement op krant en op de telefoon. Deelname aan de samenleving wordt te duur. Wordt het geen tijd om eens op te houden met vergaderen, produceren van stukken, waar steeds in staat, hoe nijpend de problemen zijn, maar iets te gaan doen?