12. 10 maart 1989

Je zal Leiden maar binnenkomen met de trein. Je verlaat het station en je staat op een tochtig en winderig soort plein, waar allerlei verkeer voorbijraast en waar een voetgangersstoplicht vruchteloos probeert het vermengen van voetgangers en ander verkeer enigszins te regelen. Het dreigende bord met Door rood is dood sorteert kennelijk geen enkel effect. Op dit onduidelijk plein of wat breed uitgevallen straat kun je niet blijven staan om de indruk van de stad op het gemoed in te laten werken. Op de uit de zakelijke architectuur ontstane betonblokken van de universiteit ben je snel uitgekeken. Je moet trouwens wel weg, want iedereen loopt tegen je op; alles krioelt in alle richtingen tegelijk door elkaar. Prima dus, vind ik, dat de gemeente nadenkt over het nieuwe gezicht van de stad. In ieder geval moet dat dynamischer en wereldser worden. Grote gebouwen moeten de aankomende bezoeker ervan overtuigen, dat hij een echte stad binnentreedt. Het moet groots en indrukwekkend worden. De geplande torenflats kunnen niet hoog genoeg zijn. Glas en beton, ingenieuze staalconstructies moeten het grootstedelijke élan versterken.

Persoonlijk ben ik weg van zo'n zestig meter brede tunnel, waarin huurauto's, taxi's en bussen, of trams, af en aan gaan, een dymamiek van jewelste. Wat zou je trots zijn als Leidenaar, trots om in zo'n stad te mogen wonen. Omdat in de huidige situatie de bussen meestal net weg zijn, of onvindbaar in de wirwar van busperrons en abri's met macho's en wulpse vrouwen, moet de consument te voet de stad in. Hij begeeft zich derhalve eerst een straat in met enkele café's, restaurants, waaronder één, waar je na zes uur geen dagschotel meer kunt krijgen, alleen pannekoek, en een nachtclub. Een sexshop ontbreekt, maar dat is typisch Leids: altijd al een preutse stad geweest.

Een straat dus, die je in ieder gangbaar dorp kunt aantreffen. Vervolgens ploeter je door een straat waarin naast elkaar exotische eethuizen, restaurants en wat dies meer zij aantroffen worden. Die proberen je tot een maaltijd te bewegen, maar daar kom je niet voor: je wilt je boodschappen doen. Pas dan kom je, na een brug, in een zeer bekende winkelstraat. Wat ik met deze uiteenzetting duidelijk probeer te maken, is, dat het Leidse winkelcentrum niet meteen bij het station begint, maar dat je daar wel even naar toe moet lopen.

U begrijpt, dat ik daarom uiterst kritisch sta tegen de plannen van enkele projectontwikkelaars waar veel winkeloppervlak gaat ontstaan. In één van die plannen gaat het om niet minder dan 10.000 vierkante meter aan winkeloppervlak met een parkeergelegenheid van ruim 2000 auto's. Dat komt neer op een nieuw koopcentrum in Leiden. Op zich is daar niets tegen, maar dan moet het toch één aaneengesloten gebied worden, zoals bijvoorbeeld in Utrecht, waar Hoogcaterijne ongemerkt overgaat in het oude winkelcentrum van de Utrechtse binnenstad. Je zou dan kunnen zeggen, dat de mogelijkheden voor de consument worden vergroot. In Leiden is dat niet zo. Er komt geen aaneengesloten wandelgebied voor het kooplustig publiek. Altijd zitten de Steenstraat en de Beestenmarkt er tussen. Zo komen er dan twee elkaar beconcurrende winkelcentra vlak bij elkaar te liggen. En wie zal er verliezen. Ik kan het u zeggen: onze oude Leidse binnenstad, al is het alleen maar, omdat de autobezitter niet met zijn kar de binnenstad in kan en kan parkeren vlakbij de winkel en bij het het station kan hij dat wel.