13. 17 maart 1989

Dit programma van Leiden Lokaal gaat over het Leidse koorgebeuren. Het is een speciale uitzending en daarom dacht ik er goed aan te doen iets over koren te vertellen. Koren zijn in zekere zin altijd een afspiegeling geweest van de samenleving. Neem nou bijvoorbeeld de plaats van de vrouw in het koor. Koorzang heeft vanaf de middeleeuwen in dienst van de kerken en kloosters gestaan. Monniken en nonnen zongen binnen hun eigen gemeenschappen. Gemengde koren waren er toen niet. Dat bleef eeuwen lang zo. Later, toen de burgerij in de steden opkwam en zich een wereldlijke koortraditie ging ontwikkelen, bleef die situatie voortbestaan. Tot in de achttiende eeuw was het daarom voor een vrouw taboe om in een koor mee te zingen. Een nette, welopgevoede vrouw zong niet in een koor, trouwens, een vrouw hoorde helemaal niet thuis in de schouwburg. Het was heel gewoon, dat vrouwenrollen in een toneelstuk, zeker in de ernstige stukken, door mannen werden vertolkt. Pas in de achttiende eeuw veranderde dat onder de toen opkomende perestroika, de Verlichting, en mochten vrouwen in één koor met de mannen meezingen.

In de lange periode daarvoor werden er natuurlijk ook stukken gezongen waar hoge stemmen voor nodig waren. Die werden niet door vrouwen gezongen, maar door castraten en door jongens. Met name rond de jongens ontstonden er in die tijd echter ernstige wantoestanden. Jongens raken namelijk op een gegeven moment hun hoog sopraantje kwijt, als ze de baard in de keel krijgen.

Die stembreking kregen ze eigenlijk altijd juist op het moment, waarop ze na jarenlange intensieve oefening goed konden zingen. Goede jongenssopranen waren daarom uiterst zeldzaam. Dan gaat het marktmechanisme in werking treden. Zulke jongens, met een zogenaamde 'treble', werden veel geld waard. Koren zaten altijd verlegen om goedopgeleide jongens, die de hoge partijen of de hoge solo's konden zingen. De geldbedragen, die werden betaald voor een mooie jongenssopraan waren zeer hoog. Vooral de Europese koninklijke en keizerlijke hoven boden wanneer hun koor weer nieuwe jongens nodig had zeer veel geld voor een sopraantje. Je kunt het vergelijken met het transfergebeuren bij het voetbal.

En als een hof een bepaalde jongen niet kon krijgen, werd zelfs de misdaad niet uit weg gegaan en werd zo'n jongen gewoon ontvoerd. Voor de jongen zelf legde die handel hem geen windeieren. Hij werd in de watten gelegd en kreeg alles wat zijn hartje begeerde. Het tijdstip waarop zijn stem brak was voor hem een ramp. Van de ene dag op de andere was hij waardeloos en was het afgelopen met zijn goede leventje. Dat was weer de oorzaak van een ander exces. De stembreking kon worden uitgesteld of zelfs helemaal achterwege blijven, wanneer hij zich liet castreren. Dan bleef zijn stem hoog en kon hij zijn prettig leventje voortzetten. In ieder geval behield hij zijn baantje, want castraten namen, als countertenors, tot de intrede van de vrouw in het koorwezen de hoge zangpartijen voor hun rekening. Tegenwoordig is het allemaal anders. Onder invloed, tenminste zo schijnt het, van sex and drugs and rock and roll, worden de hedendaagse jongens al heel snel man en krijgen ze een mannenstem, veel vroeger dan de jongens uit voorgaande eeuwen. Misschien dat de nu startende campagne om de kinderen gezonder te laten leven met minder alcohol en meer sport, in de toekomst de jongensstem in het koor terugbrengt.