14. 24 maart 1989

Het is alweer enkele weken geleden, dat de Stichting Werkgelegenheid in het stadhuis een symposium organiseerde, dat is een hele dag met lezingen en werkgroepen over het, wat dan heet, etnisch ondernemen. Deze dag stond in het teken van ondernemingen, bedrijven, winkels en dergelijke, die door buitenlanders worden opgezet. Het gaat dan vooral om onze Turkse en Marokkaanse medelanders. U kent die bedrijfjes wel, want u treft ze door de hele stad aan: een islamitische slagerij hier, een koffieshop daar, een kledingreparatiewinkel weer elders.

De bedoeling van zo'n studiedag was wel duidelijk. Het blijkt, dat het in het bureaucratische Nederland heel moeilijk is voor een buitenlander een bedrijf te beginnen. Er moest extra aandacht worden besteed aan de specifieke problemen van de buitenlanders. Dat zijn er twee: de vaak zeer gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal en culturele verschillen. Deze beginnen al bij het loket van de instanties, waar de buitenlander bij aanklopt. De instanties weten dikwijls niet hoe zij met de buitenlander, die bij hun langs komt, moeten omgaan. De taalbarrière verhindert een duidelijk kontakt met hem.

Uit een eigen onderzoek blijkt ook, dat de contactfunctionarissen, die achter het loket zitten, de buitenlander met argwaan en achterdocht benaderen. Ze laten dan na de persoon de juiste, hem passende begeleiding te geven. Die argwaan en achterdocht zijn misschien wel wederzijds. Vaak heeft een buitenlander in zijn land van herkomst niet zulke goede ervaringen met de overheid gehad, of er is zijn land nauwlijks ambtenarij aanwezig en weet hij niet hoe hij met een ambtenaar moet omgaan. Dit culturele verschil speelt een grote rol tijdens de lange en moeizame weg, die langs allerlei instanties moet worden afgelegd op weg naar het eigen bedrijf. Zo legt een studiedag over etnisch ondernemen het grote probleem bloot. De lange weg, die iedereen moet gaan, die een eigen bedrijf wil gaan opstarten: de procedures, de vergunningen, de diploma's met de daarbijhorende vakkennis en eisen. De Nederlander is als het ware opgegroeid met ambtenarij. Vanaf zijn geboorte heeft hij daarmee te maken gehad. Iedere Nederlander, zeg ik altijd, is een beetje zelf ambtenaar. Daarbij kent hij de ambtenarencultuur en de Nederlandse taal. De Nederlander kan het alleen daarom al lang volhouden. De buitenlander niet, die heeft in zijn strijd tegen het lokettendom veel geringere kansen dan de Nederlander. En zelfs die haakt onderweg af, maar dan op het moment, waarop de buitenlander allang ontmoedigd de gang naar de sociale dienst heeft ingezet.

Zowel voor de Nederlander als de buitenlander is het van belang, dat de reis naar het eigen bedrijf aanzienlijk wordt vergemakkelijkt. Dat hoeft niet door het terugschroeven van de wettelijke eisen en diploma's. Er zal voor iedereen, Nederlander of niet, nadat hij heeft aangeklopt bij de Starterswinkel in de Haarlemmerstraat in overleg een individueel trajekt moeten worden vastgesteld, waarin alles wordt geregeld: vanaf het opstellen van een ondernemingsplan, de scholing, de vergunningen tot het moment dat het bedrijf zelfstandig kan voortbestaan.

Aan het begin wordt het idee van de ondernemer in spé beoordeeld en zal er een marktonderzoek moeten worden gedaan. Pas als dat onderzoek positief uitvalt, kan de trein gaan lopen, op naar het eigen bedrijf.