17. 14 april 1989

De vergadering wachtte op mij.

"Ga vlug zitten, meneer Wortel", zei de voorzitter, "Dan kunnen we beginnen".

Ik keek of er al koffie was. Gelukkig was die er. De kan stond ook nog binnen handbereik en ik schonk mezelf een kopje in. Ik houd van dit soort vergaderingen. Er mag gerookt worden. Ik stak dus ook maar meteen een sigaartje op. Niemand had daar bezwaar tegen, zelfs de gereformeerde enige vrouw niet. Die pafte zeer stevig mee. Tegen mij had ze wel eens gezegd, dat ze in de bijbel geen expliciet rookverbod had gevonden en dat als de Heere wilde, dat zij kanker kreeg, dat ze dat toch wel zou krijgen, ook al stopte ze. Ik mag dat soort redenaties wel.

"Mevrouw, mijne heren", begon de voorzitter, "De gemeenteraad heeft vorige week besloten de rijbaan van de Breestraat te verdubbelen. Dat zal de doorstroming van het verkeer in de binnenstad en vooral de kwaliteit van het openbaar vervoer, niet alleen voor de stad Leiden, maar ook voor de omgeving, aanzienlijk verbeteren. In deze vergadering hebben wij slechts één agendapunt, en dat is het formuleren van een advies, uit te brengen aan het College van B & W, met betrekking tot de vraag: welke zijde van de Breestraat dient te worden gesloopt. Er zijn twee mogelijkheden: de noordzijde; u weet, dat is de kant met ondermeer het stadhuis, het postkantoor, de studentensoos en de warenhuizen, of de zuidzijde, met, ik noem maar wat, de panden Het Gulden Vlies, Hof van Holland en zo voort".

"Voorzitter!" begon de liberaal met zijn krakend stemmetje, "Ik zou willen pleiten voor de sloop van de zuidzijde". Ik was tijdens de inleiding van de voorzitter wat weggedommeld, maar dat akelige stemgeluid rukte mij terug naar de werkelijkheid. "Afbraak van de zuidzijde heeft het voordeel, dat er veel oude gebouwen, die eigenlijk nauwelijks te onderhouden zijn, en de gemeente handen vol geld kosten, zullen verdwijnen. Bovendien zit daar het Jongerenadviescentrum, die onze kinderen alleen maar aanzet om van huis weg te lopen".

De laatste woorden sprak hij uit met stemverheffing.

"Voorzitter, ik ben het daar niet mee eens" -een lid van een linkse partij sprak- "de laatste uitlating vind ik buiten de orde en volstrekt irrelevant. Ik pleit dan voor de noordzijde van de Breestraat, want daar staat het gebouw van het afschuwelijke studentencorps. Dat gebouw, waar ik laatst een auto met de wielen omhoog zag geparkeerd is een schande voor de Breestraat".

De liberaal veerde omhoog, met een gezien zijn omvang opmerkelijke snelheid.

"Voorzitter!", stamelde hij.

De voorzitter had zijn voorzittershamer reeds ter hand genomen.

"Heren, heren", zei hij rustig, "laten we ons bij het agendapunt houden".

De gereformeerde afgevaardigde aanvaardde de sigaar, die de voorzitter haar aanbood. Hij gaf haar vuurtje en de bedwelmende sigarenrook nam weer bezit van de vergaderruimte. Ik schonk weer mijn zoveelste kopje koffie in en ging wat gemakkelijker in de stoel zitten.

"En wat vindt u ervan, meneer Wortel?", hoorde ik de voorzitter zeggen.

Ik deed mijn ogen open en zag een priemende blik van de voorzitter op mij gericht.

"Eh ...", zei ik, "ik vind, dat wij de beide zijden van de Breestraat moeten afbreken, of beide zijden laten staan".

De voorzitter keek mij verrast aan.

"Dat vind ik een verrassend nieuw gezichtspunt, mijne heren", sprak hij tot de overige aanwezigen.

Hoe het afliep, weet ik niet, want op dat moment liep mijn wekker af.