18. 21 april 1989

Enkele weken geleden kwam de landelijke PvdA met een eigen milieuplan. Één van de voornaamste punten daarvan was dat het autogebruik moet worden teruggedrongen. Dat doet de partij door het gebruik zo duur mogelijk te maken, maar het bezit ervan betaalbaar te houden voor de lagere inkomensgroepen. Een staaltje van socialistisch milieubeleid: de arbeider mag een auto bezitten, maar hij mag er niet in rijden, zoals het Leidsch Dagblad dat zo plastisch schreef. Wat is die partij toch ver afgedwaald van de bevolkingsgroep, waar zij ruim veertig jaar geleden voor is opgericht. Ik word soms droevig van de zwakte van die partij. Doet er eens een goede gelegenheid voor om je progressieve gezicht te tonen en eens echt een creatieve visie te brengen van hoe een milieuvriendelijke samenleving eruit kan gaan zien, dan komt men niet verder dan wat oppervlakkige blabla. Hetzelfde geldt ook voor de Leidse PvdA. Vorige week kwam de afdeling te voorschijn met een stedelijk verkeersbeleid. De stad moet nog meer autovrij worden. Ruwweg wil de afdeling in het gebied tussen Haarlemmerstraat, Hooigracht en Breestraat de auto weg hebben. Voor de duidelijkheid: ik heb daar niets op tegen. Een uitbreiding van het wandelgebied kan de aantrekkelijkheid van de binnenstad alleen maar vergroten. Maar hiermee houdt de creativiteit van de jongens en meisjes van de PvdA op. Ergens in hun achterhoofd weten ze, dat je binnenstad niet onbereikbaar voor de auto moet maken, maar het landelijk milieuplan indachtig, denken ze daar niet over na. Hoe het openbaar vervoer er dan uit moet gaan zien weten ze niet. Ze komen niet verder dan enkele onbetekenende uitspraken. Zo willen ze kleine elektrische busjes, die de NZH door de binnenstad moet laten rijden. Ik denk, dat één van de kinderen bij de universiteit werkt en in gedachten de Spijkstaal van het universitaire Witte Singel-Doelen complex met de NZH-kleuren en met Toon achter het stuur door de Binnenstad heeft zien rijden. De bussen, die nu door de Breestraat gaan, moeten uitwijken naar de Hooigracht en de Langegracht of over de Witte Singel. Gister liep ik over de Hooigracht op een tijdstip, dat je toch niet het spitsuur kunt noemen, en het verkeer zat muurvast. Moeten daar nog bussen bij? Dat kun je toch niet een serieuze gedachte noemen, als je het hebt over het openbaar vervoer in een stad. Als je de binnenstad autovrij wil hebben, en, nogmaals, daar valt heel veel voor te zeggen, dan hoort daar een visie op de vorm van het openbaar vervoer bij. Één die aan kwaliteitseisen voldoet en kan concurreren met de auto. Voorstellen om een kleine bus te laten rijden is leuk voor de durpskes rond de steden in het oosten van Nederland, maar natuurlijk niet voor een aglomeratie als Leiden met ruim 200.000 inwoners. Bij het nadenken daarover ligt een kans om vooruitstrevendheid, creativiteit en durf te tonen.

Laat ik niet alleen maar negatief zijn en met een suggestie komen. In de vijftiger jaren moest de tram voor de toenmalige autolobby wijken. Iedereen moest maar een auto kopen en het openbaar vervoer was een zinloze en nodeloze voorziening. Op grote schaal werden bus- en tramlijnen opgeheven en geld werd opgesoepeerd voor de aanleg van wegen. De tram week voor de auto, maar nu de auto, omdat het milieu opgesoepeerd raakt, moet wijken, kan de tram zijn oude plaats weer innemen. Dus terug die tram in de stad.