21. 19 mei 1989

Vorige week had ik verschrikkelijk druk. Veel vergaderingen over werkgelegenheid, of beter: over werkloosheid en wat je daar nou toch tegen zou kunnen doen. Maar ik moet u teleurstellen, er is geen oplossing gevonden. Maandagavond had ik een vergadering van mijn eigen sociaal-democratische partij, waarin de werkgelegenheidsparagraaf in het verkiezingprogram aan de orde werd gesteld. Dinsdagavond mocht ik, als vertegenwoordiger van de FNV-vakbeweging het woord voeren op een avond in het kader van de aandachtsweek 'Leiden tegen de armoede'.

Ik heb dus heel wat gepraat over werkloosheid en armoede, twee grote problemen, die de Leidse samenleving in ernstige mate ontsieren. Ik moet zeggen,dat ik er nu niet bepaald vrolijker op wordt. Hoe het toch komt, dat dit soort bijeenkomsten in Leiden nooit zo goed verlopen, weet ik niet. Dat er niemand van de doelgroep aanwezig was, kan ik begrijpen, maar dat ook de instanties die met dit probleem te maken hebben gewoon wegblijven vind ik merkwaardig. Veel vragen zijn dan ook blijven liggen en er kon eigenlijk ook niet gepraat worden over de toepasbare maatregelen om de toestand van die 25.000 Leidenaren te verlichten. Zo heeft deze avond toch iets duidelijk gemaakt: de instanties werken niet goed en weten kennelijk ook niet wat ze, binnen de mogelijkheden, die de gemeente heeft, moeten doen. Ideeën ontbreken, en die zijn hard nodig om daadwerkelijk iets te gaan doen.

Het droevige is, dat dat ook geldt naar de politiek toe. Een politieke partij, die niet verder komt, dan het idee om de high-tech en telematica-bedrijven te stimuleren en te hopen, dat zij behalve dat ze hun eigen personeel meenemen, ook in een later stadium wat werkgelegenheid voor Leiden in petto hebben en, een nog ijdeler hoop, nieuwe bedrijven aantrekken, die voor nog meer werkgelegenheid zouden kunnen zorgen. Voorts koesteren ze de hoop, dat ooit op enkele braakliggende industrieterreintjes, zoals Roomburgh, zich bedrijven zullen aanmelden, die ook wat werkgelegenheid meebrengen. En dat was het dan. Het fatalisme slaat toe, als je het hebt over aantrekken van werkgelegenheid. Hoewel het CDA mijn partij niet is, heb ik toch sympathie voor hun ideeën over het aantrekken van werkgelegenheid. Hij produceerde een industrialisatieplan, waarin in de eerste plaats wordt gestreefd naar het aantrekken van werk, waar de Leidse werklozen behoefte aan hebben; dat is ongeschoold of laaggeschoold werk, werk, dat met de handen moet gebeuren. Mijn overtuiging is, dat Leiden met bedrijven, die dit werk met zich meebrengen het meest gebaat is. Mijn partij gelooft niet, dat dit soort bedrijven er nog zijn en dat ze nog te vinden zijn in het moderne Nederland. Ik ben bang, dat ze daarin gelijk heeft. Toch heb ik voor de moed, die het Leidse CDA naar buiten brengt om tóch in de komst van deze bedrijven te geloven en ernaar te blijven streven, dat ze komen, respect en dat vind ik toch een goede zaak. Maar ook het CDA laat de gemeente slechts afwachten of er iets aan komt waaien. Mijn mening is echter dat, als die werkgelegenheid er niet is, deze door de gemeente zelf te doen door het oprichten van een gemeentelijk bedrijf, dat werk voor de Leidse arbeidsmarkt met zich mee brengt. Dat miste ik nou in het CDA-program, want het is mijn overtuiging, dat er mogelijkheden zat zijn voor initiatieven van de gemeente.