23. Nachtuitzending 19-20 mei 1989

DE HUS

Al jaren liepen de oude man en zijn hond hetzelfde rondje, iedere dag op de dezelfde tijd. Hij kwam van het Rapenburg en liep de Doesastraat op en gingen vervolgens de Boisotkade op. Zij waren een opvallende verschijning. De schuifelende oude man en zijn schonkige oude hond, die trouw naast hem liep. Een grote zwarte hond was het met één oor, hij had een oor bij vechtpartij verloren, zei de oude man altijd. Hij trok met een achterpoot, dat was het gevolg van een aanrijding door een fietser en hij liep mank met zijn voorpoten: eens gebroken en niet goed gezet, zei de oude man dan desgevraagd. De oude hond heette Zwaan, waarom weet niemand, ook de oude man niet, want al zijn honden heetten zo, dus deze ook. Een volstrekt onbevredigende verklaring. De oude hond Zwaan kende de wandelroute door en door. Hij wist precies waar zich boompjes bevonden en waar hij kon, en van zijn baas mocht, poepen. Maar enige tijd geleden veranderde de baas zijn route en hij stak opeens de straat over. De gemeente had aan de overkant daar een smallle strook aangelegd, een hondenuitlaatsrook, een HUS. De oude man vond dat best en daarom vond de oude hond Zwaan het ook best. Op zekere dag was Zwaan een beetje ziek en had helemaal geen zin in de wandeling. De oude man wel en zo gingen ze toch. Zwaan liep vermoeid schuin achter hem. Aan het eind van het Rapenburg, bij de Doesastraat, bleef Zwaan stokstijf staan. Hij keek de oude man aan met ik-moet-nu-heel-erg nodig-ogen.

"Nee, Zwaantje", zei de oude man, "hier mag het niet. Aan de overkant wel".

Hij trok de oude hond achter zich aan en die sjokte maar mee. Langzaam staken ze de straat over, maar op het trottoir bleef Zwaan weer staan en keek zijn oude baas aan met nu-moet-ik-toch-heel-erg-ogen en voordat de oude man iets kon doen, lag er op de stoep, aan de kant weliswaar, maar toch, een grote hondedrol.

"Nou is er toch speciaal iets gemaakt voor die beesten en nou zitten ze nog te poepen op straat", zei een voorbijkomende vrouw.

"Geef dat vieze beest een rotschop", riep een fietser.

De oude man wist zich geen raad. Uitgerekend nu had hij niet dat schepje bij zich, dat hij een tijdje geleden gekocht had. Hij voelde in de zakken van zijn colbert en van zijn broek of hij een stuk papier bij zich had, maar het enige papiertje wat hij vond, was een briefje van honderd. Zou hij daarmee .... . Nee, daar moesten hij en zijn vrouw nog de hele verdere week mee rond komen. Maar hij kon het toch het toch ook niet laten liggen.

"En wat gaan wij met die hondedrol doen?" vroeg een barse stem.

Naast hem stond een witte auto. Reinigingsdienst stond erop.

"Dat halen wij weg, nietwaar?".

Inmiddels was zijn collega uitgestapt en ging naast hem staan, zijn strenge blik op de hoop gericht.

"Geen schep bij je, vader?" vroeg hij.

Vervolgens wees hij op de hus daar vlakbij.

"Daar had hij moeten doen, opa, daar zijn ze voor. Wij doen het voortaan dáár met de hond?"

"Ja, agent", zei de oude man, "maar Zwaan is ziek, want normaal doet hij het daar".

"Dat zeggen ze allemaal, opa".

De andere ambtenaar was ook uitgestapt en had een schepje en een plastic zak bij zich. Hoofdschuddend ruimde hij de poep op.

"Voor deze keer opa, maar de volgende keer ga je op de bon".

Zwaan had het allemaal gelaten bekeken. Geduldig zat hij te wachten tot dat hij weer verder kon lopen met zijn baas. De ambtenaren stapten weer in hun auto, nog een laatste bestraffende blik op de oude man werpend.

"Kom, Zwaan, we gaan weer door", zei hij tegen de oude hond.

Ze sjokten door en op de hoek, vlak voor ze de Boisotkade opliepen, bleef de oude man staan en de hond ook. Hij krabbelde Zwaan op zijn kop, vlakbij het overgebleven oor. En hij zei wat tegen hem. Toen liepen ze door.