25. 26 mei 1989

Even buiten Leiden, op het grondgebied van Leiderdorp, bevindt zich een groot Leids bedrijf. Er werken bijna 900 mensen. Als je naar binnen loopt, kom je, na een vriendelijke groet van de receptionist, in allerlei werkplaatsen, waar tientallen mensen bezig zijn met drukken, lassen en met nog veel meer. In de kantine heerst een geanimeerde stemming. De koffie ruikt goed en de sfeer is gezellig. In de vergadering, waar ik naar op weg ben, wordt gesproken over bedrijfsresultaten, produktiecijfers.

Toch was deze toestand een paar jaar geleden ondenkbaar. Toen was het een echt bijzonder bedrijf. De rijksoverheid gaf veel geld daaraan, omdat ze vond, dat ze daarmee veel goed deed. Ze vond het helemaal niet belangrijk of er van dat geld iets terugkwam. En voor dat bedrijf was dat erg makkelijk. Maar een paar jaar geleden zei diezelfde overheid, dat zij het toch wel wat zonde van het geld vond. Ze moest bezuinigen en dan is er weinig plaats voor goedheid en liefdadigheid. Met steeds meer tegenzin gaf ze geld en ze begon te zeuren, dat zij dat geld wel terug zou willen hebben. Voor het bedrijf was dat erg vervelend, want dat betekende, dat de bedrijfsvoering grondig moest veranderen. De directie riep het personeel op om hard te werken en produkten te gaan maken, die verkocht zouden kunnen worden. "Vanaf nu worden wij een echt bedrijf", riep zij. Ieder jaar verschenen er statistieken, waaruit bleek, dat er steeds meer geld werd binnengehaald. Wat geen geld opleverde, werd kritisch bekeken en, zo mogelijk, opgeheven. En zo ging het steeds beter met het bedrijf.

De mensen, die er werken, werden trots op hun bedrijf, want zij leverden een formidabele prestatie. Ze werkten bij een echt bedrijf, dat rendabel ging worden. Ze hingen niet meer af van de aalmoes van de overheid, nee, ze verdienden hun loon met hun eigen handen, ze waren onafhankelijk en werden zelfbewust.

Toch was niet iedereen even blij met die ontwikkeling, want het bedrijf was en bleef een bijzonder bedrijf. Het was namelijk in vroeger tijden opgericht speciaal voor mensen, die het in een ander bedrijf nooit zouden redden. Mensen, die vaak ziek waren, of geestelijk of lichamelijk gehandicapt. Mensen dus, die een echte werkgevers niet willen. Maar ze voelden zich nog te jong om aan de kant van de maatschappij te gaan staan, of vonden zich nog goed genoeg om nog iets te doen. Of het was voor hun zo belangrijk werk te hebben en daarmee kontakten met anderen. Bij een echt bedrijf zouden ze nooit worden aangenomen. Maar nu wordt ook hun bedrijf een echt bedrijf. Zou daar dan toch plaats voor hun zijn? Nu kan ik ze nog gerust stellen. De gemeente Leiden vindt dat deze mensen in dat bedrijf terecht moeten blijven kunnen en ik kan zelf ook vaststellen, dat de gehandicapten toegang houden tot dat bedrijf. Zorgen zijn er voor de toekomst. Als er een andere gemeenteraad komt en een andere wethouder. Of als de gemeente nog meer moet gaan bezuinigen en moet gaan kiezen tussen dat bedrijf en andere, ook heel belangrijke zaken. Of dan de directie, of de vakbeweging, of de gemeente er dan nog voor zullen kunnen zorgen dat gehandicapten zinvol werk kunnen krijgen, is dan de vraag. Want een normaal bedrijf zullen de Zijl Bedrijven nooit worden, want het is daar, waar onze lichamelijk en geestelijk minder bedeelde medeburgers hun levensvreugde en hun gevoel van eigenwaarde kunnen vinden.