33. 29 september 1989

"Als je nu even een metertje opschuift, dan kan de bus er door", zei Riesing tegen mij. Inderdaad zag ik, dat ik tijdens het geanimeerde gesprek met hem ongemerkt naar de as van de Breestraat was opgeschoven. Toen ik me omdraaide, zag ik lijn 45 geduldig wachten, tot ik ruimte had gemaakt. Daarachter stond lijn 41 en daarachter lijn 31 en de lijnnummers van de bussen die daarachter stonden, kon ik in de gauwigheid niet lezen. Toen ik mij omdraaide en mijn blik in de richting van de Korevaarstraat wierp, zag ik ook daar een aantal bussen staan.

"Lieve help", stamelde ik, "Ik geloof, dat ik de hele dienstregeling in de war stuur".

Riesing keek mij nuchter aan.

"Ach, dat geeft niets", zei hij eenvoudig, "De chauffeurs zijn er aan gewend".

Hij nam een slok van zijn pilsje.

"Morgen zie ik de wethouder toch en dan zal ik het er eens over hebben", vervolgde hij.

Trouwe luisteraars van deze column kennen Riesing. Hij is het hoofd van de Directie Economische Zaken van de Gemeente Leiden. Een ambtenaar van de oude stempel noemde ik hem. Riesing en ik gaan op een nononsense wijze met elkaar om. Zo spreken wij elkaar altijd met de achternaam aan.

Gepokt en gemazzeld door het liberalisme vindt hij het een verschrikking te moeten functioneren in een linkse gemeente. "Als mijn goede vader dat eens wist", zegt hij steeds tegen mij. Zijn vader was een industriëel hier in Leiden. Hij weet, dat ik mijn politieke opvoeding binnen de socialistische vakbeweging heb gehad en dat pikt hij. "Ach", zegt hij, "Mijn vader kon altijd heel goed opschieten met die bonden. Hij aanvaardde, dat ze er nu eenmaal zijn en dan kun je er maar beter voor zorgen, dat je op goede voet met ze staat". Ik herinner mij dat hij dikwijls mij verweet, dat ik bij de verkeerde partij zat. "Je zou een goed liberaal geweest zijn, Wortel", zegt hij dan. Als mijn 86-jarige vader, die niet zo veel van het socialisme moet hebben, dat eens hoorde.

Maar soms vind ik Riesing een goede sociaal-democraat. We maken er nooit ruzie over, want dat hoort niet bij onze nononsense-omgang.

In ieder geval zaten wij in het zonnetje op een terras in de Breestraat samen en pilsje te drinken. Hij vierde de komst van die bekende vliegtuigfabriek naar Leiden. Voor hem toch een aardig succesje, een pilsje waard. Riesing, die toch al geen gevoelsmens is en heel dikwijls, ook voor de mensen, die hem goed kennen, nog al eens moeilijk te doorgronden is, liet zich dus nu in zijn kaarten kijken. Dat hij dat deed met mij, vond ik dan ook een signaal, dat hij mij wel mocht. Wij bestellen weer een pilsje. De serveerster kijkt met angstige ogen naar de grote wielen van de bus, die op enkele decimeters afstand van mijn stoel, ronddraaien.

"Je zit hier toch niet echt rustig", mompel ik tegen hem.

"Wat mopper je toch, Wortel", zegt hij, "Je zit toch lekker in het zonnetje en het bier is goed".

De juffrouw kwam al gauw met de bestelling en wachtte geduldig, tot een paar fietsers, die behendig over het terras, tussen de tafeltjes door manoevreerden, voorbij waren, maar werd toch bijna omver gereden door een snorfietser.

"Daar ging de pils bijna", zei Riesing.

"Maar waar moet jij de wethouder van verkeer voor hebben dan?", kon ik niet nalaten hem te vragen.

Guitig kijkt hij mij aan.

"Dat is toch duidelijk, Wortel. Dat jij dat niet snapt! Nu Fokker deze kant uitkomt, heb ik een probleem. Waar in hemelsnaam moet ik in Leiden een landingsterrein vinden voor die vliegtuigen?"