35. 13 oktober 1989

Toen Agnes van Steen, die eindredacteur van Leiden Lokaal is, mij vorige week vertelde, dat de uitzending van vandaag uit het Rembrandt zou komen, werd het mij duidelijk, dat ik een column over het onderwijs zou moeten maken. Het onderwijs is altijd gespaard gebleven van het columnistenvenijn. Daar moest ik vanavond maar eens een einde aan maken.

Maar hoe? De vraag, die mij de hele week heeft bezig gehouden was, of je over het onderwijs een leuke column kunt maken. De achterliggende vraag is dan ook: is onderwijs leuk. Ik moet het antwoord schuldig blijven.

Zelf denk ik met afgrijzen terug aan mijn middelbare schooltijd. De enorme investering, die ik als jongen moest doen in gedorven levensvreugde: het blokken op de lange, zwoele zomderavonden, terwijl vrienden buiten op straat voetbalden, het niet kunnen luisteren naar mijn favoriete muziek op de radio; en vooral die spanning, waar ik toen nog al eens last van had, voor spreekbeurten, proefwerken en schriftelijke overhoringen.

Voor mij waren alle leraren en leraressen vijanden. Net zoals Bordewijk dat zo meesterlijk heeft beschreven in zijn roman Bint, waarin de leraar De Bree aan klas 4D de oorlog verklaart. Nog voel ik wel eens de priemende blik, die zij over hun metalen bril heen op mij vestigden als ik wegdroomde in mijn eigen wereldje.

Ik moet zeggen, dat ik dat onderwijsbeeld inmiddels heb bijgesteld in positieve zin.Ik heb te veel onderwijsgevenden in mijn huidige kennissenkring om dat vijandbeeld overeind te houden.In mijn politieke en vakbondsactiviteiten ken ik groot aantal mensen uit het onderwijs, die, al of niet met frustraties, het onderwijs hebben verlaten, soms nog net op tijd, dus met behoud van geestelijke en lichamelijke gezondheid.

Van de andere kant houd ik mij ook bezig met, wat ik dan noem, het afval van het onderwijs: de schoolverlaters. Dat zijn jongeren, die hun opleiding hebben afgebroken zonder het daarbij behorende diploma te halen. Die zie ik terug in het harde bestand van langdurig werklozen bij het arbeidsbureau. Dat probeert dan door allerlei projecten deze jongelui weer terug in maatschappij te krijgen, want koste wat het kost moet worden voorkomen, dat ze hun hele verdere leven in het bestand van het arbeidsbureau blijven. Scholing en vorming zijn dan de pijlers, waarop dat beleid is gefundeerd. Door Werkervaringsprojecten, zoals het nu lopende 'omgevingsvakliedenproject', waarbij jongeren onder leiding van een ervaren vakman allerlei onderhoud in een wijk uitvoeren en daarbij leren hoe het moet, probeert men hun een bepaald levensritme en een vaste dagindeling aan te leren.

Ongetwijfeld heb ik daardoor een scheef beeld van het onderwijs. De meeste kinderen komen uiteidelijk goed terecht en tegenover de genoemde onderwijsgevenden ken ik er ook verscheidene,die al heel lang aan een school verbonden blijven. Ja, zelfs die het leuk vinden op school. Ook dat kan ik mij wel voorstellen. Werken met kinderen geeft toch een extra dimensie aan het vak. Ik moet trouwens ook onderwijzersbloed in mijn aderen hebben, want nabijstaande familie is werkzaam in het onderwijs. En zij blijven er vrolijk onder, soms tot mijn verbazing, wanneer ik kennisneem van hun wedervaren in de klas. Zo heeft mijn broer wel eens een leerling letterlijk in de hoek van het lokaal gesmeten, wat, als je het over uit de kluiten gewassen L.T.S.-ers hebt, toch een enorme fysieke inspanning gevergd moet hebben. Sindsdien loop ik altijd naar de overkant van de straat als ik een onderwijsgevende tegenkom.