36. 20 oktober 1989

De jonge doctor in de Nederlandse taal- en letterkunde was zeer opgelucht, toen de promotie voorbij was. Ik herinner mij nog steeds die avond, dat hij bij mij thuis uit mijn rijk gevulde boekenkast een scheepsjournaal trok. Enige momenten nadat hij het opengeslagen had, had hij zijn promotie-onderwerp gevonden.

Een zeventiende-eeuws Hollands schip, dat op weg was naar Batavia in Oost-Indië, had enkele matrozen, op een eiland ergens in Polynesië aan wal gezet. Het journaal gaf als reden op, dat desbetreffende matrozen enkele orders van de admiraal niet onmiddellijk opvolgden, met de knuttel slaag kregen en op dat eiland werden gegooid.

Een te onderzoeken taalkundig verschijnsel deed zich toen voor. De doctorandus stelde zich voor te onderzoeken of er nog Hollandse woorden in het polynesisch, of wat ze daar dan ook spreken, aanwijsbaar waren. Want, zo was zijn gedachte, deze matrozen moeten in aanraking zijn gekomen met de inboorlingen van dat eiland en dus kan er een vermenging zijn opgetreden van de talen.

Onmiddellijk legde hij zijn idee voor aan zijn vermoeide, steeds door de bezuinigingen van Deetman getroffen hoogleraar, die iets mompelde van "Je gaat je gang maar". Hij schreef brieven aan duidelijke en vooral ook aan onduidelijke subsidiegevers, hetgeen resulteerde in een girale bijschrijving van een som gelds, die toereikend was voor een zeer diepgravend en nauwgezet wetenschappelijk onderzoek.

Literatuur over het te onderzoeken onderwerp had hij niet kunnen vinden, wat hij erg prettig vond, want dat scheelde weer werk en tijd.

Zelf bracht ik hem naar Schiphol. Hij had zijn kampeerspullen bij zich. Zijn schootcomputer liet hij thuis omdat het niet zeker was of het eiland over de geschikte elektriciteit beschikte, maar hij vond het wel iets romantisch hebben om slechts met blocnote en enkele balpennen zijn onderzoek uit te voeren.

Na enkele weken zag ik hem weer terug, diep bruingebrand door de tropische zon. Na een lange reis was hij aangekomen op het eiland, waar inderdaad enkele honderden polynesiërs woonachtig waren. Het opperhoofd, of wat het dan ook was, had hem met polynesische gastvrijheid verwelkomd. Deze nam met belangstelling kennis van het doel van de komst van de wetenschapper en verwees hem naar een jonge vrouw, die, naar zijn zeggen, Hollandse voorouders gehad moet hebben. Toen hij uiteindelijk, op een prachtige tropische avond, met de rode ondergaande zon op de achtergrond - de promovendus werd hier zeer lyrisch - bij de jonge inboorlinge was aangekomen, probeerde hij haar enkele Hollandse woordjes te ontlokken. Hij vroeg naar de polynesische woorden voor 'kapitein', 'schip', 'bakboord' enzovoort. Bij het woord 'kooi' was er een vergrote belangstelling bij haar merkbaar.

Tijdens de promotie gaf hij toe, dat een Hollandse invloed op het polynesisch van dat eiland, niet vast te stellen was. Ik vond het razend knap van hem, dat zijn proefschrift, desondanks, ruim 400 pagina's telde, waar foto's van zonsondergangen en wuivende palmen, overigens een ruime plaats in namen. Een prachtige kleurenfoto van zijn zegsvrouwe versierde de omslag. 'Polynesische vrouw met Hollandse matrozen als voorouders' stond er bij.

"Het onderzoek is slechts oriënterend en verkennend. Ik heb pionierswerk moeten doen", betoogde hij.

"Dus je gaat er binnenkort weer heen?" vroeg ik hem. "Ja, over een maand of acht, negen; er is nog wat subsidie over", antwoordde hij.

Een onderdeel van zijn onderzoek was kennelijk toch vruchtbaar geweest.