37. 27 oktober 1989

Sinds enige tijd maak ik deel uit van het bestuur van een onderwijsinstelling hier in Leiden en daarom houd ik mij bezig met allerlei ontwikkelingen binnen het onderwijs.

Niet alle veranderingen worden opgelegd door het ministerie in Den Haag. Echte belangrijke ontwikkelingen vinden nu, en in de naaste toekomst, echter plaats onder invloed van de samenleving en het is de samenleving, en niets anders, die het onderwijs noodzaakt om na te denken over zijn doelstelling en over hoe het in die samenleving te werk zal gaan.

Het onderwijs is nu aan zeer grote veranderingen onderhevig. Die hebben betrekking op het hele gebouw. Vroeger leefde de mens van wat de aarde opbracht, daarna volgde de ontwikkeling tot een industriële samenleving en nu maken wij de opkomst mee van de informatiemaatschappij. Deze maatschappijvorm kun je ook noemen: de learning society, de lerende maatschappij. De mens zal zich daar, na een bepaling van wat hij wil, die kennis willen gaan verwerven, waaraan hij behoefte heeft, en die hij voor verdere uitbouw van zijn maatschappelijke positie, of zijn carrière binnen een bedrijf, nodig heeft. Scholing wordt dan niet iets, dat alleen voor jongeren van belang is, maar in toenemende mate ook, of juist voor volwassenen: de education permanente. In de in aantocht zijnde learning society levert het onderwijs een belangrijk produkt: namelijk kennis. Het belangrijk gevolg daarvan is, dat het onderwijssysteem, zoals dat tot nu toe bestaat, namelijk een mens in zijn jonge jaren volproppen met kennis, waar hij voor de rest van zijn leven op moet teren -in Amerika heet dat het frontloadingsystem- op de helling gaat. In de jonge jaren van de mens heeft het onderwijs slechts de taak om basiskennis te verzorgen, die hem een uitgangssituatie verschaft. Gedurende de rest van zijn leven moet hij regelmatig aandacht besteden aan het bijhouden en aanvullen van kennis.

In Amerika loopt dit proces reeds enige tijd en daar ziet men dan ook interessante veranderingen. De belangrijkste verandering is, dat het onderwijs, en vooral de universiteiten, zich richten op het vergroten van zijn 'marktaandeel'. Dat doet men door voortdurend 'marktgericht' bezig te zijn. Men kijkt aan welke scholing de maatschappij en het bedrijfsleven behoefte heeft en speelt daar door het ontwikkelen van een cursusaanbod op in. Daar hebben de onderwijsinstellingen de grote fout gemaakt, door te lang te blijven vasthouden aan de verouderde frontloading, waardoor bedrijven en overheidsinstellingen zelf hun cursussen en onderwijs zijn gaan verzorgen. Daardoor is dus een enorme concurrentie voor het gevestigde onderwijs ontstaan. In Amerika geven bedrijven samen meer geld uit aan onderwijs dan de vijftig staten gezamenlijk. In Nederland zou men daar lering uit moeten trekken. Want ook hier zijn er stormachtige ontwikkelingen. Zeer veel particuliere instituten en instituutjes, instellingen, al of niet door de overheid gesubsidiëerd zijn aktief om cursussen op bestelling te produceren. Onderwijsinstellingen moeten zaken gaan doen. Dat is: inspelen op de behoeftes, die in de samenleving vast te stellen zijn. Het gebouw, waarin onderwijs wordt gegeven, is in het nieuwe concept geen onaantastbare burcht meer, geen gebouw, waar zich aktiviteiten ontrollen, die buiten de maatschappij staan. Het onderwijs kan zich niet meer afzonderen van de maatschappij.

De tijd van de routine-lesboer, die zich vastklampt aan vastgestelde leerstofprogramma's, is, vrees ik, voorbij.