39. 10 november 1989

In oktober organiseerde de universiteit een reeks lezingen over de positie van de stad Leiden in de randstad. Een uitgelezen gezelschap liet zijn wetenschappelijk licht schijnen over onze stad. U begrijpt, dat ik met grote belangstelling heb kennisgenomen van wat deze heren zoal te vertellen hadden.

Ik trek de conclusie, dat Leiden nu eens een beslissing moet nemen. Om het even scherp te stellen bestaat die keuze uit: wordt Leiden een grote stad of een provinciestad. Ten noorden ligt de hoofdstad van Nederland: Amsterdam. Vlak daaronder is Nederlands grootste vliegveld. Dat alles een kwartier reizen met de trein of met de auto. Ten zuiden ligt het regeringscentrum van Nederland, met alle kantoren van grote instellingen en nog even verder, kwartiertje rijden, de grootste haven van Europa: Rotterdam en het Rijnmondgebied met zijn immense industrieën.

Door Leiden lopen de belangrijkste verbindingen tussen die twee centra: autosnelwegen en Nederland's drukste spoorlijn Amsterdam-Rotterdam.

Leiden precies in het middelpunt. Je zou zeggen: een gunstiger ligging is eigenlijk niet mogelijk. Het is daarom zeer begrijpelijk, dat de gemeente de afgelopen jaren intensief naar haar ligging heeft gekeken en heeft geprobeerd Leiden mee te laten doen met de stormachtige economische ontwikkelingen, die zich, bij wijze van spreken, afspelen langs de noordelijke en zuidelijke gemeentegrenzen. Het economisch beleid speelde daarop in en Leiden ging de boer op. Affiches op Schiphol en de burgermeester probeerde waar mogelijk de stad te verkopen aan de grote bedrijven, die zich in één van de economische brandhaarden wilden vestigen. De wethouder, mevrouw Fase toen nog, ging zelfs naar Japan om enkele bedrijven voor Leiden enthousiast te maken. Bedrijfsterreinen werden in orde gemaakt om de grote ondernemingen op een waardige manier te kunnen huisvesten. Er kwam, met medewerking van de universiteit, een zogenaamd bio-science-park van de grond, waar zich de modernste industrieën, die zich zich met hoogwaardige technologieën bezighielden konden vestigen. Op het Schutterveld verrezen de modernste kantoorcomplexen met de modernste voorzieningen.

Tenslotte werkte de gemeente aan het opkrikken van het gezicht van Leiden. De stationsbuurt zou een grootschalige facelift krijgen, waardoor de stad een meer eigentijds, aantrekkelijk gezicht zou krijgen.

Dit alles gebeurde met het argument, dat het zo goed was voor Leiden en voor de werkgelegenheid, die weer nieuwe impulsen daardoor zou krijgen. Want die nieuwe bedrijven brachten veel nieuwe arbeidsplaatsen met zich mee, waar Leidse werklozen en werkzoekenden hun arbeidsplaats zouden kunnen vinden.

Wat een teleurstelling was het voor de gemeente, toen zij zag, dat het zo niet werkt. Er kwamen weliswaar enkele bedrijven en het bio-science-park liep vol, maar voor de Leidse werkzoekenden had dat eigenlijk geen betekenis. Wat is er toch aan de hand met onze stad? Zo gunstig gelegen en toch blijft het een achtergebleven gebied.

Ik hoorde laatst iemand zeggen, dat Leiden maar moet blijven, wat zij eigenlijk is: een provinciestad. Men moet zich maar concentreren op de regiofunctie. Diep in mijn hart ben ik het daar wel mee eens. Als je hebt gekozen voor je status als provinciestad, kan je bijvoorbeeld makkelijker zeggen, dat bedrijven alleen welkom zijn, wanneer ze arbeidsplaatsen aanbieden aan Leidse werkzoekenden. Het hoeft allemaal niet meer zo groots en dynamisch. Leidser eigenlijk. Want we zijn toch Leiden. Niettan?