4. 13 januari 1989

Twee nieuwjaarstoespraken trokken mijn aandacht. De eerste was die van de directeur van de sociale dienst van Rotterdam, de tweede die van de nieuwe voorzitter van de Kamer van Koophandel van Rijnland, die in Leiden zijn kantoor houdt.

De Rotterdamse directeur van de Sociale Dienst had met zorg vastgesteld, dat heel veel van zijn cliënten depressief werden van het zien van de grote kantoorkolossen van bedrijven. Deze wonderen van moderne architectuur, waar de nieuwste technologische snufjes in beton- en glasconstructie worden toegepast, zijn namelijk dikwijls gesitueerd in of tegen de wijken, waarin de uitkeringsgerechtigden wonen. Iedere dag worden zij, wanneer zij wakker worden en door het slaapkamerraam naar buiten kijken, of wanneer zij zich in hun woonkamer bevinden, met deze gebouwen, waar het overvloedige kapitaal als het ware van af druipt, geconfronteerd. Zij, voor wie iedere dag weer uitdaging is om te zorgen voor een ordentelijke maaltijd, zoals het Konsumenten Kontakt juist deze week in een keihard rapport Eten op bijstandsniveau aantoont. Juist de minima zien dagelijks de materiële uitingen van de stijgende winsten van het bedrijfsleven. Dat geeft, volgens de Rotterdamse directeur van de Sociale Dienst, psycho-sociale gevolgen. Voor zijn cliënten wordt het bij wijze van spreken pijnlijk zichtbaar dat de welvaart in de samenleving niet eerlijk verdeeld wordt. Het gevoel van geen deelnemer te zijn van de stijging van de welvaart maakt zich meester van zijn cliënten. Een droevig geluid dus van iemand, die zich ambtshalve bezig houdt met wat dan heet de onderkant van de samenleving. Je zou dan zeggen, dan zou degene, die zich ambtshalve bezig houdt met de bovenkant van de samenleving tijdens de nieuwjaarsborrel een tevreden geluid laten horen. Vandaar, dat ik de rede van de ondernemersbelangenbehartiger hier in onze regio met belangstelling tegemoet zag. Nu beluister ik al zeventien jaar de nieuwjaarstoespraken van de voorzitter van de Kamer van Koophandel en ik heb nog nooit een positieve kunnen horen. Hoewel de voorzittershamer in andere handen is gekomen, is dat blijkbaar geen reden geweest om eens een ander geluid te laten horen. De gewezen voorzitter weet zijn opvolger goed uit te kiezen. Ook hij geeft te kennen ontevreden te zijn. Het gaat niet goed met het bedrijfsleven: "Het bedrijfsleven heeft slecht jaar achter de rug". Hoe nu? Een opmerkelijk geluid, want in den lande wordt er tevreden geknord door de werkgevers, zoals een Haagse werkgever in een paginagrote advertentie in de krant te kennen gaf: "Met de bedrijvigheid in Den Haag gaan we de goede kant op". Natuurlijk, goed is het nooit. Ik zou het ook raar vinden als mijn organisatie, de vakbeweging, zou zeggen, dat alles nu wel zo'n beetje geregeld is voor de werknemers en dat er nu achterovergeleund kan worden. Wanneer is een werkgever tevreden? Met nog hogere winsten, met een nog meegaander overheid? Voorzitter vindt, dat het bedrijfsleven het groene hart van Zuid-Holland, dat tot dusver taboe was voor bedrijfsvestigingen, in moet kunnen trekken om zich daar te vestigen. Na het horen van de Rotterdamse directeur vind ik dat eigenlijk een prima idee. Daar, midden in de weilanden, kunnen dan moderne architectonische kunstwerken worden neergezet. Dan blijven zij uit het gezichtsveld van de Leidenaren. Dan worden wij tenminste niet depri van de werkgevers.