40. 17 november 1989

Eindelijk was het dan zover: de regering had besloten de gemeentegrenzen op te heffen. Leiden moest een grote gemeente worden met Oegstgeest, Leiderdorp en Voorschoten.

Nog voor het zover was stond heel Leiden op zijn kop. Duizenden Leidenaren wandelden naar de Rijnsburgerweg om ongehinderd Oegstgeest in te kunnen lopen. De Warmonderweg, waar sinds mensenheugenis de gemeentegrens liep was die dag zwart van de mensen, die voetje voor voetje zich begaven naar het winkelcentra aan de Kempenaerstraat en de Lange Voort.

Langs de weg stonden duizenden Oegstgeestenaren, die willekeurige Leidenaren om de hals vielen en hun met een "Fijn, dat u er bent" verwelkomden. De in meerderheid liberaalstemmende Oegstgeestenaren wisten immers, dat Leiden een socialistisch stadsbestuur heeft. Zij waren nooit verbaasd geweest, dat de stad economisch zeer achterop liep. Zij hadden gehoord, dat vijftien procent van de Leidenaren werkloos was en dat van de rest een kwart op het bestaansminimum leefde. Ze wisten, dat de Leidenaren hun woning hadden in de grauwe flats van de Merenwijk of een eenvoudig woninkje hadden in de uitgestrekte arbeiderswijken van Leiden-Noord. Zij begrepen daarom heel goed, dat de Leidenaren afgunstig keken naar de materiële rijkdom van de hun omringende gemeenten. Voorschoten bijvoorbeeld is een zeer rijke gemeente.

En zo stonden de Leidenaars die zaterdag in hun pruttelende tweede-handsjes, die zij in hun vrije tijd hadden opgelapt, te wachten, totdat de gemeentegrens werd opgeheven. Toen dat eindelijk gebeurde, braken er hectische toestanden los. Tussen de auto's van de Oegstgeestenaren, voornamelijk toch de duurdere auto's en auto's uit de betere middenklasse, wurmden zich de oude, soms uit zeventiger of begin van de tachtiger jaren stammende karren van de Leidenaren.

Direct na de gemeentegrens had de Sociale Dienst van Oegstgeest een provisorische balie ingericht om de binnenkomende Leidenaren een tientje begroetingsgeld te verstrekken. Daarmee konden ze terecht in de goedgevulde winkels in de gemeente. De burgermeester gaf toestemming om de winkels langer open te laten zijn, dan normaal mocht op de zaterdag, zodat tot diep in de nacht Leidenaren werden aangetroffen, die met tranen in hun ogen met boodschappenwagentjes rondreden langs de schappen, niet wetend wat ze moesten kiezen uit het overweldigende aanbod aan luxe goederen. Elders in de gemeente was het druk bij de talloze bars en café's, waar velen hun tientje in drank omzetten. Leidenaren kregen hun bier goedkoper, op straat werd gehost en gezongen.

Dezelfde emotionele taferelen waren te zien in Voorschoten en Leiderdorp, waar het winkelcentrum Winkelhof stampvol was. In de Schoolstraat in Voorschoten, waar trouwens het begroetingsgeld vijftien gulden bedroeg, was het een swingende mensenmassa. Slechts door een beheerst en rustig optreden van de goedgeluimde politie werd de orde gehandhaafd. De meeste Leidenaren keerden 's avonds weer terug naar de stad, met computerspelletjes en audio-apparatuur bij zich. Slechts enkele bleven achter om zich blijvend in een villawijk te vestigen.

Het College van B&W van Leiden liet, na een spoedzitting van de gemeenteraad, de regering officieel weten, dat het niets voelde voor een samengaan met de drie aanpalende gemeenten. Leiden had een socialistisch stadsbestuur en dat moest zo blijven. Pas met de eerstkomende gemeenteraadsverkiezingen zou de bevolking zelf en onafhankelijk van anderen zich kunnen uitspreken over haar toekomst.