42. 2 december 1989

(gelezen door Agnes van Steen)

In de pauze maakte ik een ommetje met drs. J. van de Water van de directie Groen van de gemeente Leiden.

"Jouw afdeling was nogal actief vorige week", zei ik hem.

Hij lurkte aan zijn pijp.

"Je bedoelt die nota van ons, dat 'groenstructuurplan'. Ik persoonlijk ben nogal geschrokken van die reacties van die omliggende gemeentes. Een beetje weerwerk had ik natuurlijk wel verwacht. Alleen al het feit, dat het van Leiden komt is voor hun al een reden om te steigeren. Ze denken zeker, dat wij hun ook willen laten onderlopen".

Hij trok extra hard aan zijn pijp en ik weet dan, dat hij zich kostelijk vermaakt.

"Kijk", zei hij, "er is natuurlijk niets origineels aan. In 1574 lieten de geuzen hier ook de polders onderlopen. De Spanjaarden, die voor de stad lagen, onder andere in Leiderdorp, - hij bedwong hij zich om niet in een luide schaterlach uit te barsten: als een bezetene trok hij die pijp - Die moesten vluchten voor het water en zo werd Leiden ontzet. Dus ze hebben daar echt wel reden om een beetje bang te zijn van ons. Dat onderlopen zelf is dus eenvoudig. Je steekt een paar dijken door en die polders lopen vanzelf onder. Dat kun je natuurlijk heel gecontroleerd doen. Mij persoonlijk gaat die nota niet ver genoeg. Ik ben dan ook al bezig met een vervolgnota. Zal ik jou een primeurtje geven?"

Met glinsterende ogen keek hij mij aan, zodat ik geen nee kon zeggen. We waren inmiddels aangekomen aan het einde van de Breestraat, bij het Rapenburg en het Kort Rapenburg. Hij haalde zijn pijp uit zijn mond, wat voor mij een teken was, dat hij heel serieus ging worden.

"Zie dat asfalt nou eens", begon hij, "Daar zit toch geen leven in. Het is grijs en donker. Het beweegt niet. Het ligt er doodstil. Je gebruikt het om er op te rijden en op te lopen. Meer niet".

Om mij dat duidelijk te maken, liep hij naar het midden van de Breestraat. Met zijn voeten stampte hij krachtig op het wegdek, dat inderdaad niet meegaf. De bus wachtte geduldig, tot Van de Water weer naar het trottoir terug wandelde.

"Vergelijk dat nou eens met het water in de gracht. Iedere seconde is weer anders. Het licht van de zon weerkaatst erin. Het leeft".

Met zijn pijp in zijn hand staarde hij naar het water van het Rapenburg. Zo moet de dichter Piet Paaltjens over een brugleuning hebben gehangen in zijn depressieve buien, als een liefde niet naar wens verliep en hij een einde aan zijn leven wilde maken.

"Er zwemmen zelfs vissen in. In asfalt zit geen leven", vervolgde hij, "Daarom is de stad ook zo dood als een pier. Als er meer water in de stad is, dan is de stad ook veel levender". De pauze, die de voorzitter van de vergadering ons had toegestaan, was zo onderhand voorbij. Vlak bij het stadhuis bleef Van de Water staan.

"Stel je voor, dat wij de Breestraat eens opengroeven. De mensen, die met allerlei bootjes hier aankomen om hun boodschappen bij V & D te doen. Vorig jaar was ik in Venetië en daar zag ik al die bootjes. Bootjes zijn daar, wat hier fietsen zijn. Toen dacht ik, zo moet het in Leiden ook worden. Een echte waterstad. En dan de mogelijkheden die je met de Breestraat hebt. Stel je voor, je kunt hier -we stonden voor het stadhuis- een prachtige waterpartij aanleggen, met rotsblokken en zo. Maar alle ideeën zullen we naar buiten brengen in onze vervolgnota 'Stad in Stroomversnelling' met als ondertitel 'Leiden, een bruisende stad' of zoiets".

De torenklok sloeg.

"We gaan weer beginnen", mopperde hij en klopte zijn pijp leeg. "Dat verdomde rookverbod".