43. 9 december 1989

Vorige week hield onze burgermeester een toespraak tot het VNO, een organisatie van werkgevers. Daarin pleitte hij voor meer vertegenwoordigers van het bedrijfsleven in de gemeenteraad.

Ik wil verder niet ingaan op deze toespraak van de burgermeester, want het is niet mijn taak als columnist om commentaar te geven op wat de burgermeester zegt. Het is alleen, dat zijn stelling mij aan het denken zette. Niet omdat ik mijn sociale geschiedenis ken en dus weet, dat werkgevers altijd al een grote en belangrijke inbreng in politieke besluitvorming hebben gehad. Op twee manieren hebben zij invloed: via omwegen, de bekende wandelgangen, de persoonlijke benadering, de recepties en andere informele ontmoetingen. Een directe invloed hebben zij via politieke partijen, die ernstig rekening houden met de belangen van het bedrijfsleven: de VVD, het CDA bijvoorbeeld.

Het is dan ook de vraag of werkgevers er nu echt wel behoefte aan hebben om als werkgever in een politiek bestuursorgaan zitting te nemen. Er zijn voldoende mogelijkheden om met de lokale overheid te spreken en als er niet optimaal van die mogelijkheden gebruik wordt gemaakt, ligt dat toch niet aan die overheid, maar aan de werkgevers.

Ik vraag mij af, of een orgaan als de gemeenteraad het aangewezen orgaan is voor een werkgever, die er uitsluitend zit om werkgeversbelangen te behartigen. Als dat een reële situatie zou worden, dan moet ik, als vakbondsman, ook pleiten voor werknemers in de gemeenteraad. Dat zou het werken van de gemeenteraad niet ten goede komen. In haar al ruim honderdjarig bestaan heeft de vakbeweging zich steeds afzijdig gehouden van politiek. Een politieke partij is iets anders dan een vakbeweging. Dat geldt, denk ik, ook voor een werkgeversbelangenvereniging, zoals het VNO of het KNOV, de belangenvereniging voor de kleinere zelfstandige ondernemers en middenstanders, die ook zo voortreffelijk actief is in Leiden.

Politiek is een maatschappelijke aangelegenheid, iets voor de gehele samenleving en daar hoort ook het milieu bij, de woningbouw, de ruimtelijke ordening en dergelijke, zaken, waar de vakbeweging in wezen buiten staat: die heeft als taak om de belangen van werknemers en uitkeringsgerechtigden te behartigen. Dat gebeurt in overleg met de overheid en met de werkgevers. En zo moet dat ook. Dat overleg hoort niet in de raadszaal van het stadshuis plaats te vinden. Het is daarom wel van groot belang, dat er een serieus overleg bestaat tussen de overheid, dus ook de lokale overheid, en de werkgevers- en werknemersorganisaties.

In Leiden is dat overleg er, namelijk het 'Platform Leids Bedrijfsleven', waarin vakbeweging, bedrijfsleven en gemeente met elkaar in gesprek zijn over allerlei onderwerpen, die door de deelnemers worden aangedragen. Dat overleg werkt heel goed. Als secretaris van de FNV-werkgroep 'Werkgelegenheid' heb ik het grote genoegen de inbreng van de FNV in dat platformoverleg te verzorgen.

De verantwoordelijkheid voor wat er met de in dat overleg genomen besluiten of gemaakte afspraken gebeurt is in zo'n overlegstruktuur de verantwoordelijkheid van de politiek. Zolang de verantwoordelijkheid blijft bij de politiek, dus bij de vertegenwoordigers, die bij de verkiezingen door u en mij op die plaatsen worden gezet, vind ik het zelfs goed, dat raadsleden persoonlijk worden benaderd door het bedrijfsleven. Zonder al die borrels en recepties zou het leven van een raadslid wel erg saai worden, maar de verantwoordelijkheid blijft wel bij hem of haar, dus toch maar niet te veel drinken.