45. 22 december 1989

Het is kerstavond.

De sneeuw knispert onder mijn schoenen, wanneer ik mij haast naar mijn verwarmde woonruimte. Sneeuwvlokken dwarrelen omlaag. Nog nooit heb ik de Haarlemmerstraat zo verlaten gezien. De feestverlichting is nog aan, maar volkomen zinloos. Op sommige etalageruiten vormen zich al ijsbloemen. Een snerpende wind waait door de anders zo drukke winkelstraat. Ik doe de kraag van mijn jas nog eens omhoog en ik trek mijn sjaal extra strak om mijn hals.

In de portiek van de drogist hoor ik het knerpen van de harde sneeuw. Is daar iemand? Ik kijk die richting op en zie door de steeds groter wordende sneeuwvlokken heen een kleine jongen - ik denk van een jaar of tien, elf - staan. Het jasje, dat hij aan heeft, is bij lange na niet genoeg om hem tegen de ijzige kou te beschermen. Ik zie in het licht van de feestverlichting de blote huid van zijn knieën door de grote gaten van zijn jeans.

Ik loop door, verlangend naar huis.

Maar opeens beginnen de klokken van de Hartebrugkerk te beieren. Daar tussen door klept het klokje van de Zijlpoort en alsof de andere kerken in Leiden daarop hebben gewacht beginnen ze allemaal uit alle macht te luiden. Een koor hoor ik in de verte zingen: "Stille nacht, Heilige nacht, Alles slaapt, sluimert zacht". Een kerkorgel speelt zacht en vult de ruimte tussen de gevels met zoete klanken.

Na een paar meter blijf ik staan en keer om. Ik loop naar het jongetje toe. Ik lach even tegen hem, zo vriendelijk mogelijk.

"Ben je van plan om de hele nacht hier in dit koude portiek van de drogist te blijven staan?", vraag ik hem.

Hij kijkt mij aan met zijn grote blauwe ogen van onder zijn lichte blonde lokken. Ik kan zien dat hij heeft gehuild, want hij veegt met de mouw van zijn dunne jasje zijn tranen van zijn van koude rood geworden wangen.

"Mijn vader heeft mij het huis uitgegooid", snikt hij.

"Kom maar met mij mee", zeg ik, "bij mij thuis is het tenminste warm en morgen zien we wel verder. Het is kerstmis", en ik leg mijn arm op zijn schouder.

Ik voel, dat hij rilt van de kou. Hij drukt zich tegen mij aan. Langzaam lopen we verder.

Uit de Hartebrugkerk klinkt een kerstlied, dat door een kinderkoor wordt gezongen. Het is intussen harder gaan sneeuwen en onwillekeurig versnel ik mijn pas. Zo komen wij, het jongetje en ik, bij het punt, waar de Hooigracht de Haarlemmerstraat kruist. De verkeerslichten werken nog steeds, hoewel er totaal geen verkeer is. Ja toch. Vanuit het centrum komt een auto aangereden, langzaam. Voor het zebrapad stopt hij, terwijl het licht voor hem toch op groen staat. Uit de auto stapt een man.

"René", zegt hij en nog eens; "René"!

Het jongetje blijft staan en zegt zachtjes:

"Papa! Papa!"

De man loopt snel naar hem toe, zonder acht op mij te slaan en omhelst de jongen.

"Ben je daar, jongen van me", zegt hij, de jongen stevig tegen zich aan klemmend. "Vergeef me, jongen. Ik had het niet mogen doen. Ik heb er zo'n spijt van", snikt hij.

De jongen zegt alleen maar: "Papa! Papa!"

De man loodst hem naar de auto, die met een draaiende motor staat.

"Kom mee, jongen, dan gaan we gauw naar huis. Mama maakt zich ook heel ongerust over jou. Wat ben ik blij, dat ik je gevonden heb", is het laatste wat ik nog hoor, dan klapt het portier dicht.

De auto trekt op, hoewel het licht op rood staat, maar wie let daar nog op. Ik sta op de vluchtheuvel. Zie ik het jongetje even naar mij wuiven? Hoewel het voetgangerslicht op rood staat, loop ik snel verder verlangend naar mijn warme kamer.