46. 29 december 1989

Op de achtergrond zeurde de radio met wat klassieke muziek, want daar staat mijn radio altijd op, wanneer hij niet op Omroep Rijnland staat. De ten gehore gebrachte muziek was vervelend, het was het soort klassieke muziek waar ik helemaal niet van houd, met van die schetterende trompetten en veel paukenslagen, van een Duitse componist, denk ik. Ik zat echter in de voorkamer, en de radio staat in de achterkamer en ik had geen zin op op te staan. Saartje, de poes van bovenbuurvrouw had zich vermoeid genesteld op de holle zitting van een stoel. Kennelijk is mijn werkster eens door die stoel heengegaan en eigenlijk had ik die al maanden geleden bij het grof vuil moeten zetten, de stoel bedoel ik, niet de werkster. Maar nu was het de lievelingsstoel van de poes, waar zij op kon uitrusten na een urenlange intensieve muizejacht met mijn kamer als jachtterrein. Ik hing op mijn bureaustoel met een stapeltje nieuwjaarswensen. Op een andere plaats op hetzelfde bureau lag een stapeltje gelijkaardige wensen, die ik in deze dagen bij mijn post gevonden had, voornamelijk van instanties. De gemeente stuurde mij zelfs twee uitnodigingen voor haar nieuwjaarsreceptie, waarvan één naar een adres, waar ik al bijna een jaar niet meer woon. Maar goed, bij deze bericht van verhindering, want ik kan maandag de achtste niet wegens verplichtingen elders.

Toch was het allemaal niet echt zinloos, want het is goed om eenmaal per jaar het in de huiscomputer gestopte adressenbestand eens door te lopen en tegelijk eens op te schonen, adressen, die veranderd zijn, te wijzigen en kennissen en vrienden, die uit het oog zijn geraakt maar eens uit het bestand te halen. Zo bekijk je eenmaal per jaar eens wie je kennissen zijn en hoe je kennissenkring er uit ziet. En dan moet je ook nog eens beslissen wie je een nieuwjaarswens gaat sturen en wie niet. Welke nieuwe vriendschappen zijn er in het jaar gekomen en welke wil je beëindigen. Toch handig zo'n computer, met een druk op een toets deleet je een vriend of een kennis: van de flop, uit het hart.

Kortom, het zijn weer van die typische dagen tussen Kerst en Nieuwjaar, waar iedere dynamiek en regelmaat uit verdwenen is en die zich moeizaam voortslepen. Een moment, waar ik op deze momenten aan terugdenk, vond plaats in februari. Ik zie me nog zitten in de cabine van een verhuiswagen, waarmee ik de gemeente Leiden weer binnenreed. Daarin mijn spulletjes, voornamelijk boeken, waardoor de reusachtige verhuiswagen stampvol was en stevig op de weg lag. De rokende cowboy bij de snelweg verwelkomde mij, en ik herinner me, dat ik bij mezelf dacht: "Dag, Leiden, daar ben ik weer". Ik was de stad een jaar ontrouw geweest door uit te wijken naar het Haagse, maar toch was het voor mij een onvergetelijk moment weer in Leiden's schoot terug te keren. Mijn eerste nacht in Leiden was ook geen onverdeeld genoegen. Voor de huismuizen ook niet trouwens, want paniekerig piepend renden ze tussen mijn boeken en over de platen van het verlaagde plafond, duidelijk aan mij hun ongenoegen over mijn komst kenbaar makend. Ik probeerde de slaap te vatten op een luchtbed, die ik had neergelegd boven op enkele haastig neergesmeten boeken. De verhuizers hadden de inhoud van de verhuiswagen in no-time mijn huis binnengedragen. Ik neem ze dat niet kwalijk, want buiten wachtten twee politieambtenaren met de sleutels, waarmee zij dagelijks om een uur of elf de Haarlemmerstraat voor het verkeer afsloten en wij arriveerden daar om ongeveer kwart voor elf.