5. 20 januari 1989

Iedereen die Leiden een beetje kent en zich heeft bezig gehouden met de sociale geschiedenis van de stad, weet, dat de stad bestaat uit mensen, die met hun handen willen werken. Textiel en metaal zijn de sleutelwoorden van haar geschiedenis. De Leidenaar is geen kantoorman. Die moet je niet opsluiten tussen vier op hem afkomende muren. In nijverheid, in het maken van iets zoekt hij zijn bestaan. Kijk maar eens naar het Olga- of het Mostertcomplex, waar kleine startende bedrijfjes zich gevestigd hebben. Het merendeel zoekt zich een positie in de pure goederenproductie: een meubelmakerij, een auto- en motorreparatiebedrijf, een botenbouwer. Als je overdag het gebouw in gaat hoor je de machines draaien. Zo hoort dat in Leiden. Binnen de Stichting Werkgelegenheid, waarvan ik het genoegen heb in het bestuur te zitten, zet de sociaal-economische geschiedenis van Leiden zich in zekere zin voort. Leidse arbeiders hebben altijd in fabrieken gewerkt. Daarom kwamen zij de afgelopen honderd jaar naar Leiden en vestigden zich in de uitgestrekte arbeiderswijken langs de singels rondom het centrum. Zij moesten wel, want door arbeid moesten zij hun karig belegde boterham verdienen. Nu zijn die fabrieken er niet meer, maar de arbeiders met hun gezinnen zijn achtergebleven. Van vader op zoon, van moeder op dochter ging de stelling, dat slechts door hard en lang werken en slechts met spierkracht het loon moest worden verdiend en als dat niet zo ging in dat gezin, kwam de dominee langs om dat nog eens onder de aandacht te brengen.

Misschien is Leiden wel een landelijke uitzondering, als ik denk, dat de werkloosheid in Leiden slechts kan worden bestreden door het aantrekken van productiebedrijven, waar al deze op straat gezette en in de steek gelaten arbeiders weer aan de slag kunnen, natuurlijk tegen moderne arbeidsvoorwaarden. Als ik in een vergadering een dergelijke opmerking plaats, kijken ze mij verbaasd aan en zeggen ze mij, dat die bedrijven er tegenwoordig niet meer zijn. Dan hebben ze het over omscholing en cursussen, die moeten worden opgezet om de Leidse arbeider werk te kunnen bieden in de nieuwe bedrijven en ondernemingen, die zich op de toekomst richten. De Leidse werkloze moet zich aanpassen het werk, de "markt", zoals ze dat noemen, en niet omgekeerd. Maar ik ben eigenlijk niet verbaasd als ik vaststel, dat al die scholings- en werkervaringsprojecten maar een klein deel van deze groep bereiken,en dan nog na een intensieve werving of enige dwang vanuit de sociale dienst of het arbeidsbureau. Zelfs na afloop van dit soort projecten is er geen werk te vinden en blijft de toekomst van de jongere zonder uitzicht. En dan heb ik het over projecten voor jongeren, maar er zijn ook nog de ouderen, die vroeger hebben gewerkt in die metaal- en textielindustrie. Zij voelen niets voor computer of kantoor, zijn te oud voor scholing, maar beschikken wel over een gedegen vakkennis, die zij van hun vroegere technische opleiding hebben of door ervaring hebben opgedaan.

Zijn er echt geen mogelijkheden om dat soort bedrijven te vinden en aan te trekken? Ik ben die mening niet toegedaan. Ik vind dat er veel intensiever naar die bedrijven moet worden uitgekeken door de gemeente. En als die bedrijven echt niet te vinden zijn, dan zou de gemeente in ernstige overweging moeten nemen om zelf zo'n bedrijf te initiëren, dat een positief perspectief biedt voor die Leidse werkzoekende, die met zijn handen wil werken.