50. 26 januari 1990

Er is deze week een einde gekomen aan een stukje Leidse vakbondsgeschiedenis. De Jongerenbeweging verbonden aan de FNV, een organisatie dus met een lange en ingewikkelde naam, is opgeheven. Het pand, waar ze reeds enige jaren waren gehuisvest, komt leeg.

Een knetterende ruzie in de top in Utrecht is de oorzaak. Toen ik in 1971 in Leiden kwam wonen en mij aansloot bij de ambtenarenbond van wat toen nog heette het NVV, werd ik automatisch lid van het NVV-Jongerencontact. Ik was toen, achttien jaar geleden, namelijk nog jongere.

In Leiden was er nog geen afdeling van dit NVV-Jongerencontact en die moest er, volgens het district, dat toen in Rotterdam gevestigd was, komen. We waren in 1971 met zijn tweeën, herinner ik me. De een, Aad, werd voorzitter en ik nam het secretariaat op me. Na enig zoeken vonden we een vergaderruimte onder een flat in de buurt van de Boshuizerkade, de Meerhof. Zo ontstond er een afdeling.

Het was nog zeventiger jaren en de maatschappijvernieuwing was volop aan de gang. Maatschappij-kritisch waren wij toen allemaal. In die tijd kwamen wij de K.W.J. tegen, de Katholieke Werkende Jongeren, die net bezig waren zich van het katholieke etiket te ontdoen en zich de Kritische Werkende Jongeren noemden. Ze zaten in het pand van het vormingscentrum Troef aan de Hogewoerd, later in het oude gebouwtje van de Havenmeester aan de Haven.

Al gauw hadden wij in de gaten, dat wij met hetzelfde bezig waren: belangenbehartiging van de werkende jongeren. Er was toen een politieke strijd gaande over het minimumjeugdloon. Ook de ontstellende kamernood onder de jongeren in Leiden was een belangrijk punt. We organiseerden toen een bezetting van de studentenflat aan de Pelikaanstraat. De contacten die wij als NVV-jongeren hadden met deze KWJ beviel de leiding van onze club niet. Rotterdam raadde ons sterk af met de KWJ contacten te onderhouden. Eerst was het een advies, later begon hun advies wel erg sterk te lijken op een uitdrukkelijke wens. Op een avond kreeg ik bij mij thuis zelfs de superbonzen uit Amsterdam, die ons met argumenten, en ook wel wat dreigementen probeerden te bewegen om te breken met de KWJ. Dat is hun uiteindelijk niet gelukt.

Vlak na deze gebeurtenissen werd ik zo oud, dat ik niet meer als jongere werd aangemerkt en aktief werd in de echte vakcentrale als secretaris van de NVV-afdeling. Landelijk kwam, midden zeventiger jaren de Federatie Nederlandse Vakbeweging tot stand, en daarmee werden NVV en de katholieke vakcentrale NKV, die van Wim Spit, een organisatorische eenheid. In Leiden ging de Federatievorming zonder grote problemen. Datzelfde gold ook voor de jongeren. De Leidse afdelingen van de KWJ en het NVV-Jongerencontact gingen rond die tijd samen in die Jongerenbeweging met die ingewikkelde naam. Hoe die samensmelting precies ging weet ik niet, want de jongeren werkten altijd onafhankelijk van de vakcentrales en maakten toen geen gebruik van hun zetel in het bestuur van de FNV-afdeling. Het Leidse beeld wijkt dus af van het landelijk beeld. Landelijk mogen de jongeren van het socialistische NVV en de katholieke KWJ elkaar na tien jaar samengaan nog steeds niet.

De jongeren zijn hun organisatie nu kwijt. Er is geen belangenorganisatie voor hun meer. Een zorgwekkende ontwikkeling, vind ik, want ook de vakbeweging moet aan zijn toekomst denken.