51. 2 februari 1990

Begin januari hoorde ik van een kennis van mij, dat er rond Kerstmis regelmatig ganzen gejat worden, kennelijk om ze op te eten. Deze column kan dus eigenlijk niet meer, maar ik kan er ook niks aan doen, want ik hoorde het allemaal pas vorige week.

Verontrust door deze mededeling zocht ik mijn goede vriend, de ganzerik van het Witte Singel-koppel op om te weten te komen of dat nu waar is. De ganzen zelf had ik vrij snel gevonden. Maar hoe! Het koppel leek wel te zijn opgesplist in twee ongeveer gelijke delen. Ik zag, dat, iedere keer als ze elkaar voor de sterrewacht tegenkwamen, er een geweldig kabaal ontstond.

Uit de geluidsflarden, die mij bereikten begreep ik, dat er een discussie ging over een nieuwe orde in het koppel. Een gans wierp zich kennelijk op als leider, wees op het natuurlijke van de orde, waarbij het 'ganseigen' is (dat woord gebruikte hij), dat er één leider is. Een andere gans wilde een gekozen gans als leider, want ook ganzen moeten mee met de mensenmaatschappij om te overleven. Daarna zwommen ze met hun aanhang verder, ieder in zijn eigen richting. En het hele schouwspel herhaalde zich, als de beide koppels elkaar weer onvermijdelijk ontmoetten.

Het koppel verkeerde in een diepe crisis. Ik vond het toen beter om maar even te wachten, tot de rust was teruggekeerd. Deze week dus ging ik er weer naar toe en ik vond, tot mijn opluchting het gehele koppel bijelkaar. Er was wel een andere ganzerik. Toen ik vroeg waar zijn voorganger was, barstte hij in snikken uit.

"We missen hem sinds de Kerst", zei hij haast onverstaanbaar, want zo goed is mijn gans ook weer niet.

"U heeft nu de leiding?" vroeg ik voorzichtig.

"Neemt u mij niet kwalijk, dat ik mij zo liet gaan", antwoordde hij, zijn waardigheid hervindend, "Inderdaad. Toen mijn voorganger niet meer terug kwam, hebben wij democratische tussentijdse verkiezingen gehouden. Mijn voorganger was een tiran, een terrorist. Hij zou toch al heel snel zijn afgezet, dus echt rouwig om zijn eind zijn we niet, al gun ik niemand de dood in de braadpan".

Hij trok hier een zeer ernstig gezicht, hoewel zelfs dat bij ganzen dom blijft. Ik vroeg hem of het verhaal waar was, dat er omstreeks kerstmis meer ganzen door de mensen worden gejat.

"Inderdaad", zei hij daarop, "Niemand, die daar iets aan doet. Wij, ganzen, hebben geen enkele bescherming. De dierenbescherming doet niets voor ganzen. Waarom niet? Omdat wij in dienst van de gemeente Leiden zijn. Wij zijn gemeenteganzen, ambtenaren dus eigenlijk. En de gemeente ligt, zoals u weet overhoop met de bonden, zodat onze belangen blijven liggen".

Ik vroeg hem of hij zijn ongenoegen al aan de gemeente kenbaar had gemaakt. Hij barstte in een smalend gelach uit:

"De politiek, meneer, de politiek! Daar geloven wij niet meer in. De fout van mijn voorganger! Die bestookte de gemeente met brieven, belde ze, en wat is het resultaat? Niets, meneer, niets. Nee, wij moeten voor ons zelf opkomen".

Gelukkig ken ik de ambtenaar, die over de ganzen gaat. Hij wist van het probleem.

"Typisch Leids", zei hij slechts, "Op drie oktober vreten ze hutspot en met kerstmis vreten ze gans. Echt druk hoeven wij ons niet daarover te maken. Er zijn ganzen genoeg, de aanwas van jonge ganzen kan de kerstverliezen wel weer goed maken. Wij weten, dat personen, die de ganzen ontvreemden afkomstig zijn uit milieu's met de laagste uitkeringen. Dan heb ik daar vrede mee. De uitkeringen zijn al zo laag, dat ik die mensen graag een gansje op de kersttafel gun".