56. 9 maart 1990

Omdat het gister internationale vrouwendag was en ook gezien de numerieke meerderheid van vrouwelijke medewerkers van dit programma, stel ik er prijs op nu mee te delen, dat in deze column voor het woord 'hij' ook mag worden gelezen het vrouwelijke 'zij' en dat derhalve het woord 'mannen' in de in deze column voorkomende zinsnede 'echte mannen eten geen sperciebonen' kan worden vervangen door het woord 'vrouwen'.

 

De zeer charmante loketist van 'Burgerzaken' keek mij aan met zijn prachtige, grote blauwe ogen.

"Wat kan ik voor u doen?" vroeg hij aan mij met een wel zeer welluidende sonore stem.

Een lok van zijn blonde haren reikte tot aan zijn dunne wenkbrauwen.

"Ik wilde graag mijn paspoort verlengen", stamelde ik, getroffen door zoveel schoonheid.

"Dat kan, meneer", glimlachte hij, waarbij zijn parelwitte tanden zichtbaar werden door de wat vochtige lippen.

"Dan moet u even dit formulier invullen", vervolgde hij, terwijl hij met een sierlijke beweging een gemeentelijk formulier pakte en die met zijn slanke vingers naar mij toe schoof.

Hij droeg geen ring, en had dus, hoopte ik, geen vriendin. Terwijl ik achter het woord 'naam:' mijn naam invulde, zag ik in mijn ooghoek, hoe hij met zijn met slanke dunne hand de lok van zijn rimpelloos voorhoofd wegstreelde. Toen ik achter het woord 'adres:' mijn huidige woon- of verblijfplaats invulde, bedacht ik, hoe ik aan hem zou kunnen vragen, of hij met mij zou willen eten, als zijn werk erop zat. Koortsachtig dacht ik na over welke tent daarvoor geschikt was. De Grote Beer misschien? En daarna swingen in De Trechter? De telefoon ging vlak bij hem. "Gaat u rustig door met het invullen. Mag ik even de telefoon aannemen?" De laatste woorden sprak hij zo zacht, met een licht trillende stem uit - viel hij op mij?

"Dag, schatje", zei hij, "Ja, gezellig. Waarzo? In de Grote Beer? Prima, liefje. Een goed idee. Zal ik de tafel vast reserveren? En wat wou je eten? Nee, zeg! Echte mannen eten geen sperciebonen. Honden houden van kluiven. En hoe laat? Kwart voor zes. Goed, lieveling, ik zal er zijn. En gaan we daarna naar de Trechter? Om te swingen! Enig! Doei, dotje van me".

Hij drukte enkele kusjes op de hoorn van de telefoon. Wat had ik graag die hoorn willen zijn. Daarna wendde hij zich weer tot mij:

"En heeft u uw formulier ingevuld?"

"Jazeker", zei ik harder, dan ik wilde.

Op weg naar de uitgang ontmoette ik de forse gestalte van de heer J.L. Lieftinck, hoofd van de directie Burgerzaken. De mannelijke kracht in zijn gespierde, naar verhouding korte, harige armen, werden door de korte mouwtjes van zijn T-shirt nog eens benadrukt. Ik wist, dat hij een fervent krachtsporter was, iedere dag door de stad jogte en 's zaterdags in de Hout voetbalde in een veteranenteam. Wetende dat hij een fervent bewonderaar van Silvester Stallone was en alle Rambo-films had gezien, de meeste als video thuis had, voelde ik mij 's avonds wanneer ik na een late vergadering met hem door de stad liep, altijd heel veilig. Het gespuis liep voor hem wel een straatje om.

"Wat een charmante lokettisten heb jij tegenwoordig", zei ik tegen hem.

"Ach, Wortel", zei hij met zijn zware en luide stem, "Het hoort tot ons emancipatiebeleid om meer mannen aan te nemen. We letten heel scherp op de presentatie van onze lokettisten. We streven ernaar zo veel mogelijk publieksvriendelijk te zijn".

Net op het moment, dat ik hem wilde vragen, waar hij ging eten, keek hij op zijn horloge.

"Sorry, Wortel", zei hij, "Ik heb haast. Ik moet om kwart voor zes in de Grote Beer zijn".