58. 23 maart 1990

De jonge man staarde mij met zijn door drank al aardig vertroebelde ogen aan:

"Jou wil ik wel bekennen, Dick" -voornaam, dus heel vertrouwelijk - , "dat ik toch wel graag raadslid had willen worden".

Hij staarde wat wezenloos naar zijn zoveelste glas alcohol.

"Het volk heeft gesproken", bracht hij eruit, met een dikke tong, "en het heeft mij niet gewild".

Ik had diep medelijden met hem. De laatste paar keren, dat ik met hem in de kroeg zat, had hij niet nagelaten zijn politieke carrière aan mij te ontvouwen. Naar mate de verkiezingen naderden, namen ook zijn plannen toe, wat voor toekomst hij voor Leiden zag, als hij wethouder zou zijn geworden, een metro en zo, wat hij trouwens echt wel zag zitten: Leiden staat op zandgrond, dus het moet makkelijk kunnen. Ik mocht hem wel, wanneer hij zijn oorspronkelijke gedachten ontvouwde.

Maar nu hing hij als een zielig hoopje mens, een wrak, aan een bar, zich met steeds groter moeite in evenwicht houdend. Ik bestelde maar weer wat voor hem, want ik had het met hem te doen. Hij was een echt politiek dier. De laatste weken bevond hij zich steeds in het kielzog van de plaatselijke partijbonzen. Na de laatste verkiezingen was ie een gebroken man. Anders steeds keurig in het pak, met een vlot stropdasje, maar ook net niet te liberaal, dus zijn pak paste niet echt goed en zijn sokken kleurde niet bij de rest, nu zat hij, met zijn shirt los, en zonder das, wat even wennen was.

En daar zat hij dan, hangend aan de bar, met het zoveelste glas bier. Ik zocht naarstig naar passende woorden. Daar ben je toch vrienden voor. Als je vriend in nood zit, moet je hem helpen. Wat moest ik zeggen. Dat het allemaal zo betrekkelijk is? Dat het leven toch uit meer dingen bestaat dan raadslidmaat- en wethoudersschappen. Dat Provinciale Staten ook niet altijd leuk is, om over de Tweede Kamer maar niet te spreken.

"Het wordt lente", zei ik maar.

"Lente!", antwoordde hij.

Hij begon luid te snikken. "Wat Lente! Alarmfase 1, bedoel je. Wat had ik daar graag iets aan willen doen. Auto's weg. Meer en betere spoorverbindingen, sneltrams. Straks staan ze weer in de file, en ik kan alleen maar toekijken. Ik kan geen passende beleidsmaatregelen bedenken en uitvoeren, een goede regelgeving maken, wetten ontwerpen. Er is geen lente meer".

Ik wist niet wat ik nog moest zeggen. Dat het leven zo mooi is, vooral als je nog jong bent? Dat leek mij helemaal niet verantwoord. Kort geleden beweerde hij, nuchter toen nog, dat het leven voor de gewone man niet meer te betalen was, door allerlei kostenstijgingen, als huur, energie en dergelijke. Hijzelf zat niet in het reguliere arbeidsproces, zoals hij dat in dat rare politiek taaltje van hem zei, hij was dus gewoon werkloos, afgestudeerd weliswaar in een onduidelijke sociale wetenschap, en daardoor kansloos op een baan. Hij wist alles wat werkloosheid en hoe moeilijk het is om van een uitkering rond te komen.

"Wat moet ik nou?" mompelde hij, nauwlijks verstaanbaar. "Ik maak er maar einde aan. Ik ga naar het station. Er rijden nachtreinen, dank zij ons openbaarvervoerbeleid".

Niet dat hij zijn plan zou uitvoeren, want hij kon door de drank zonder hulp de deur van het café niet eens vinden, laat staan het station.

Ik besloot toch de harde aanpak te doen. Het moest nu maar afgelopen zijn.

"Je hebt gewoon een verkeerde keus gemaakt. Dat is niet erg, ieder mens maakt wel eens een verkeerde keus. Je had je kandidaat moeten stellen bij D'66".

Hij hoorde dat echter niet meer, want hij lag luid snurkend onder de bar.