59. 30 maart 1990

Toen de uitslag daar in de Burcht bekend werd gemaakt, heerste alom een diepe verslagenheid. U weet, dat in dat etablissement de Leidse top van de Partij van de Arbeid was verzameld. Al aan het begin van de avond was er geen feeststemming, want de opiniepeilingen hadden reeds zo'n beetje uitgewezen, dat zetelwinst niet in het verschiet lag. Een kleine achteruitgang was weliswaar verwacht, maar dat de partij bijna een derde van haar zetels zou kwijtraken, dat ging alle verwachtingen te boven. De bedrukte gezichten waren dus niet zo verwonderlijk. Natuurlijk vroeg iedereen zich af hoe het zover had kunnen komen. Het verlies was landelijk, dus kon het eigenlijk niet aan de gemeentepolitiek liggen; de opkomst was bedroevend laag, en ook dat zou een rol kunnen spelen.

Echt overtuigend vind ik het niet. Hoewel ik lid ben van die partij, wil ik bekennen, dat ik eigenlijk niet meetreurde. Ik vroeg mijzelf af, hoe dat nu kwam. Kennelijk heb ik ook geen diepe betrokkenheid, geen affiniteit met de partij. Ik ben weliswaar actief daarin, zij het in de marges, als secretaris van een werkgroepje, maar mijn betrokkenheid is erg gering.

De partij moet weer de taal van de kiezer gaan spreken, zei voorzitter Sint, nadat de partij was uitgehuild. Ik ben het volkomen met haar eens. Als ik kijk, bijvoorbeeld, wanneer ik een ledenvergadering bezoek, naar de aanwezigen, dan zie ik slechts keurige dames en heren, goed in de kleren, keurig in het pak. Ze praten een vreemd taaltje, gebruiken keurige en moeilijke woorden. Geen flauw benul hebbend van waar ze het over hebben. Zij weten niet wat het is om van een uitkering rond te komen, slechte huisvesting te hebben, langdurig werkloos te zijn en thuis te zitten terwijl je dat helemaal niet wilt. Ze hebben een goede opleiding, vaak met universitaire studies en hebben goede banen. Hoe ver staan zij af van de mensen, waarvoor die partij oorspronkelijk is opgericht? Hoe kan een eenvoudige werknemer, met een klein loon rond het minimum, en een geringe scholing, en die de hele dag werkt, en die mensen maken nog altijd de meerderheid uit, hoe kan die zelfs maar begrijpen, waar de mensen van de partij het over hebben, laat staan, snappen, dat die partij in hun belang bezig is.

Ik zal eindigen met een voorbeeld. Op 1 mei is er de dag van de arbeid. In voorgaande jaren werd die dag gevierd door de Partij van de Arbeid samen met de vakbeweging FNV. Dit jaar meende de partij dat te moeten doen zonder vakbeweging. Het is belachelijk, dat naast de viering, georganiseerd door de partij, de vakbeweging met een eigen viering op een andere locatie te voorschijn zou komen. Zij ziet dus af van het organiseren van een 1 mei-viering. Ik zit in die vakbeweging en ik weet hoeveel kwaad bloed die beslissing van de Leidse PvdA heeft gezet. Als ze niet meer de dag willen vieren als de dag van de arbeidersbeweging, waar de partij decennia lang deel van heeft uitgemaakt en zelfs haar bestaan aan dankt, als vakbondsleden, arbeiders, die dag niet kunnen vieren, doordat de PvdA dat niet wil, dan is dat een keihard bewijs, dat de partij wel erg ver is afgedwaald van de groep, wier belangen zij heeft te dienen.

Partij, ga de taal van de arbeider spreken en zing zijn strijdlied met hem mee. Ga naar de Leidse FNV toe en maak het weer in orde. Zeg, dat je hautain en hoogmoedig was, dat je dacht het zonder de werknemers te kunnen rooien en erken, dat je daar niet in geslaagd ben.