6. 27 januari 1989

Vorige week liep het hier in de studio helemaal uit de hand. Agnes begon allemaal vragen aan mij te stellen, waar een normaal mens geen antwoord op weet. Ze kreeg bij het stellen van die vragen terecht de slappe lach. Wat een leuke lerares geschiedenis hebben jullie toch, kinderen van het Rembrandt! Ze bleek nieuwsgierig naar de mens in mij. Ik moet dan denken aan wat Goethe eens zei: "Ik ken mezelf ook niet en God moet me er maar voor behoeden". Maar vanwaar eigenlijk haar nieuwsgierigheid naar mij als mens. Is het een vrouwelijke of journalistieke nieuwsgierigheid? Ik ken Agnes nog te kort - zeker als mens - om dat uit te maken. Wie ben ik om dit allemaal mee te mogen maken. Een echt interview op de radio. Toen ik hier allemaal over nadacht en met deze tekst bezig was, besefte ik, dat ik met al dat soort vragen eigenlijk geen raad weet. Misschien heb ik van Agnes wel de vuurproef ondergaan en heeft zij mij geleerd, dat je, wanneer je in Leiden politiek actief bent, dit soort situaties aan moet kunnen. Toch zette het radiogesprekje mij aan om na te denken over een gelukkig niet gestelde vraag.

Want zou Agnes nou hebben gevraagd: "Wortel, waarom doe je dat eigenlijk allemaal. Waarom zit je niet gewoon thuis lekker naar de TV te kijken, zoals alle andere mensen of naar Omroep Rijnland te luisteren?" Good question, Watson! Ik zou haar peinzend hebben aangestaard en ik denk, dat ik haar had moeten meenemen naar een voorbije periode van mijn leven. Ik heb mijn politieke opvoeding gehad in de jaren zeventig. Dat was vlak na de revolutie aan het eind van de zestiger jaren. De maatschappijkritiek deed ik toen op in eindeloze discussies met allerlei anderen in bedompte en rokerige ruimtes, die door een kaars werden verlicht. Ik zat dan gewoon op de grond tussen langharige personen, met een jointje in mijn mond en een flesje bier voor mij op de grond geduldig te luisteren naar allerlei theorieën, die duidelijk moesten maken, dat de maatschappij eens grondig veranderd moest worden. Op de achtergrond klonk Dylan en na enige tijd kende ik enkele songs van hem uit mijn hoofd. Alle kameraden lazen werken van Marcuse of de marxistische economie van Mandel en daarover werd lang en bedachtzaam, soms ook emotioneel en scherp gedebatteerd. Die eindeloze en felle, vaak diepgravende discussies werden overal gevoerd: op het schoolplein, thuis en in je eigen vriendenkring. In die tijd was ik actief bij het jongerencontact van het NVV, die toen een ruimte had onder een flat aan de Meerhof. Daar discussieerden wij lang over de maatschappij en de macht van de bazen en de arbeiders en de regering en de kerken, en het militair-industrieel complex en talloze andere zaken. Soms gingen wij op bezoek bij de KWJ, die onder andere in een klein gebouwtje aan de Haven onderdak zat, en daarvoor in Troef aan de Hogewoerd. Tot onze verbazing waren ook daar, bij de katholieken dus, want de fusie tussen het NVV en het NKV was toen nog ver weg, ondenkbaar eigenlijk nog, de maatschappijkritische discussies in alle hevigheid losgebarsten. Ook daar werd met veel shag en bier diepgaand gesproken over de positie van de werkende jongeren, over bedrijfsdemocratisering. Er werd gesproken over demonstraties en acties tegen ondernemers, die de jongeren uitbuitten. Ach, de scherpe kantjes zijn er inmiddels, na al die jaren, wel afgesleten, maar het geloof om, als individu, deze maatschappij te veranderen, heb ik uit die tijd overgehouden.