60. 6 april 1990

Toen ik in het warme zonnetje in de Breestraat liep te flaneren, wat ik graag doe, liep ze driftig naar me toe.

"Ik moet even met je praten", zei ze opgewonden, "Ik moet het even kwijt bij jou".

Ik schrok van haar uiterlijk. De anders zo chamante vrouw was nu rood aangelopen van kwaadheid. Haar lippen waren smal en dun en haar haar zat door de war, wat niets voor haar is. Altijd een echte dame met een indrukwekkende uitstraling, die ik mateloos bewonderde. Steeds maakte haar verschijning mij beduusd, maar nu niet.

"Wat is er aan de hand?" vroeg ik, een beetje dom, want ik wist het verrekt goed.

Ze zat in een onderhandelingscommissie voor de vorming van een nieuw college. Dus had ze grote problemen. Ik had het echt met haar te doen. Wat moest ze nou met die verkiezingsuitslag, die haar partij zo'n zware slag had toegebracht. Ik sleepte haar onmiddellijk naar het dichtsbijzijnde terrasje. Dat was ook op de Breestraat gelukkig. We gingen in het zonnetje zitten en bestelden wat. Meteen stak ze van wal en viel met de deur in huis.

"Die Langenberg, van D'66, wie denkt ie wel dattie is?" riep ze uit.

Haar stem sloeg helemaal over van kwaadheid, "Schaamteloze hooghartigheid van de grootste verliezer! Het verraad aan de linkse beweging in Leiden!". Met een driftige beweging nam ze een slok van haar drankje.

"Ja, dat is heel erg", beaamde ik.

"Wat denken ze wel", zei ze, tussen het hoesten vanwege een bus, die vlak naast het terras optrok.

Een donkere walm trok over ons tafeltje en maakte haar gezicht nog grauwer dan het al van boosheid was.

"Met dat soort lieden ga je toch niet onderhandelen", vervolgde ze, na een korte adempauze.

"Och", zei ik. "Ze kennen het politiek spel nog niet. Dat moeten ze nog leren. Daar moet je rekening mee houden. Wees nou redelijk. Straks, als ze zo'n cursus gemeenteraad hebben gelopen, worden ze anders".

Ze keek mij met een droevige blik aan:

"Daar geloof ik nou helemaal niets van. Ze zijn zo. Deze manier van werken hebben ze altijd al gehad. Altijd op de persoon spelen. Nooit zakelijk. Misselijk werd ik er van".

Met één slok dronk ze haar glas leeg. Ik bestelde meteen maar weer nieuwe drankjes.

"Wat moet je nou met ze. Ik geef toe, we waren volkomen verrast. We hebben verloren. Okay, daar zijn we het overeens. We hadden er op grekend, dat we gewoon door konden gaan. Desnoods met de VVD. Och, ik mocht Van der Nat wel. Zag er altijd leuk uit met die snor. Deed het ook wel aardig. Alleen dat liberale van hem. Daar moest ik wel eens van kotsen. Ik kom uit een rood nest, hè. Maar het maakt mij verder niets uit. CDA is ook goed. Walenkamp. Waarom niet? Alles is beter om met die omhoogevallen D'66 te moeten gaan werken. Daar zit echt niets bij. Puur toeval, dat ze die acht zetels hebben. Dat wordt lachen, straks in de Raad. Ze hebben de ballen verstand van politiek. En dan willen ze in het College".

Ze schaterde het uit. Haar schelle lach klonk over de Breestraat, ondanks de optrekkende bus bij het terras. Ik moest vreselijk hoesten van de walm, die die bus uitwasemde.

"Goed, goed", zei ze geïrriteerd, "De Breestraat is nog niet, zoals wij die hebben willen. Er gaan te veel bussen doorheen, en brommers", dat laatste schreeuwde ze, want er ging er net een langs.

"Bovendien", ging ze rustig verder, "Wat is die D'66 eigenlijk. Wat vertegenwoordigen ze nu eigenlijk? Niemand weet dat, zij zelf ook niet trouwens. Ontevreden kiezers van ons? Dat kan helemaal niet, want onze kiezers bleven massaal thuis".