62. 20 april 1990

"Ja, loop maar met mij mee," zei de nieuwbakken wethouder tegen mij, toen ik aan kwam lopen bij de ingang van het stadhuis, "Ik heb een afspraak met een aannemer, vlakbij het station".

"Zo", zei ik daarop, "heeft die afspraak iets te maken met de plannen rond het station?".

"Ja", zei hij daarop, "Je wordt al een echte journalist". "Dat jij je daar nog mee bezig houdt", vervolgde ik, "Dat wordt toch niks allemaal. De spoorwegen gaan bouwen en het ziekenhuis heeft al hele andere plannen met hun eigen terreinen. Dan komt er van al die plannen toch niets meer terecht?".

"Heel juist opgemerkt. Al die plannen hebben alleen maar gedonder opgebracht", antwoordde hij, "Maar er is een verschil. Nu ben ik wethouder. Geen wanbeleid meer, dat slappe gedoe van mijn voorgangster. Die heeft zich gewoon laten inpakken door die spoorwegen, het ziekenhuis en die projektontwikkelaars. Bij mij lukt dat niet. Bij mij moeten ze niet aankomen. Geen slap geklets. Ik ben van een andere partij en dat zullen ze merken. Nieuw élan, Wortel, daar gaat het om. Je moet doen, niet kletsen. Als je een nieuw gebouw wilt, dan moet je de spa in de grond steken. Handen uit de mouwen. Simpel kom bonjour. Bovendien ben ik ook al dat gezever in de gemeenteraad zat". Voortdurend of tegen mij, of tegen zichzelf mompelend kwamen we bij het station aan.

"Kijk", zei hij, toen we op de Steenstraat liepen,"waar gaat het om, Wortel? Waar wou mijn voorgangster kostbare miljoenen aan uitgeven? Om er voor te zorgen, dat de voetgangers, die met de trein Leiden binnen komen, veilig het Stationsplein kunnen oversteken. Daarom maakte ze al die plannen. Nieuw station, nieuwe kantoren en zo voort. Nergens voor nodig allemaal".

Wij stonden nu tegenover het station. Op de hoek was een man aan het ijsberen, waar hij mee ophield, toen hij ons zag. "Daar is de aannemer, die de klus gaat klaren en die alle problemen in dit gebied gaat oplossen", zei de wethouder, terwijl hij hem een snelle hand gaf.

"Dus hier moet dat tunneltje komen?" vroeg de aannemer loom.

De wethouder knikte:

"Dit lijkt me wel een goeie plek, vindt u ook niet?".

Hij keek goedkeurend over het Stationsplein.

"Ze kunnen hier onder de weg door en weer naar boven bij de ingang".

De aannemer draaide een shaggie.

"Bij de linker of de rechter ingang?" vroeg hij.

De wethouder keek.

"Kijk maar wat het makkelijkste is. Het maakt niet veel uit. Links heb je wat meer ruimte, maar je moet dan wel even aan de taxichauffeurs vragen of ze het goed vinden, dat jij daar gaat graven. Ik wil geen gedonder met die lui."

De aannemer haalde zijn schouders op.

"Ze zullen er niet zo veel last van hebben, denk ik. Het wordt toch een smal trappetje naar boven. Als er nou een roltrap zou komen ...".

De wethouder werd hierop geprikkeld.

"Luister nou eens, Du Prie, daar hebben we het nu wel genoeg over gehad. Geen roltrappen. Gewoon een stenen trap". De aannemer trok aan zijn shag.

"Wat u wilt. Ik vind het stom, maar als u dat wilt, krijgt u uw trap".

De wethouder keek op zijn horloge.

"Ik moet nu weg. Wanneer kunt u beginnen? Zo gauw mogelijk, hoop ik toch. Want ik wil van al dat politieke gezeur af. Ik ben dat zat".

De aannemer keek naar de zon.

"Vandaag niet meer. Het is nu te laat. Morgen".

De wethouder was duidelijk opgelucht. Hij wendde zijn gezicht naar mij toe.

"Zie je nou wel, Wortel", zei hij triomfantelijk, "Gewoon snel beslissen. Hier komt gewoon een voetgangerstunnel - hij maakte hier een breed gebaar - daar gaan de spoorwegen bouwen en het ziekenhuis bekijkt het maar. Klaar. Punt. Uit. Opgelost".