63. 27 april 1990

Vanaf 1 mei aanstaande zal de arme stad Leiden een nieuw stadsbestuur hebben. Een arme stad, die 50.000 huishoudens telt, waarvan er 7.000 zich op een minimum bestaan trachten te handhaven. Het laatste getal haal ik ook maar uit de krant, maar die lijkt mij erg optimistisch. Er zijn anderen, bijvoorbeeld de kerken hier in de stad, die stellen, dat een kwart van de bevolking op een bestaansminimum leeft, dan zijn het ongeveer tussen de dertien en veertienduizend huishoudens.

Wat maakt het uit, als het over zulke aantallen hebt, met de bijgedachte, dat dat er so wie so veel te veel zijn. Maar wat ik er mee zeggen wil, is dat Leiden een arme stad is. Altijd al geweest. Ik geef ook toe, dat ik dat anders zou willen zien. Ik ben Leidenaar en ik heb mijn stad lief. Ik ben er trots op inwoner van deze stad te zijn, zoals alle Leidenaren dat zijn.

Ik heb ook altijd steun gegeven aan mensen, die Leiden naar de rest van het land toe als een volwaardige gewone stad willen voorstellen. Ter wille van de werkgelegenheid bijvoorbeeld, waardoor er nieuwe bedrijven met hun bedrijvigheid en dus met werk, naar Leiden toe moeten worden gelokt, moet onze stad zich goed presenteren.

Ook de plannen rond het station hadden ergens wel mijn sympathie, omdat ik ook vond, dat het, wat dan werd genoemd, 'het gezicht van Leiden', best wel mocht worden opgelapt. Maar het zijn slechts facades, zoals vroeger de allerarmsten nette gordijnen voor de ramen hingen en hun laatste centen aan behoorlijke kleren voor de kinderen uitgaven. Aan het levenspeil deed dat verder niets af.

Als je in de politiek bezig bent, moet je door die facade heen kunnen kijken. Soms zie je op de TV wel eens een mannetje of vrouwtje verschijnen, laatst ook weer, als ze het hebben over schuldsanering en zo, die dan komen vertellen, dat je geen geld moet uitgeven als je het niet hebt. Je kunt daarom niet altijd alle wensen die je hebt vervullen. Je moet maar wachten, tot je het geld daarvoor hebt.

Ik vroeg mij van de week af, of wat simpelweg voor een huishoudportemonnee geldt, of dat ook niet zou opgaan voor de portemonnee van de gemeente. Ook de gemeente heeft haar wensen en daar tegenover heeft ze een bepaald inkomen, net als de huishoudportemonnee. Het inkomen van de gemeente bestaat uit penningen, die de inwoners gezamenlijk opbrengen. Er komt ook nog wat uit Den Haag en van de provincie, maar dat wordt ieder jaar vanwege de bezuinigingen minder, want ze zijn daar heel erg krenterig. Het komt er op neer, dat wensen van de gemeente door haar inwoners moeten worden betaald.

En daar ligt de uitdaging voor de nieuwbakken stadsbestuurders. Hoe doe je dat. De makkelijkste oplossing is het verhogen van de gemeentelijke belastingen, de moeilijkste is het maken van keuzes: wat kan wel en wat kan niet. Om die keuze te maken, daarvoor ben je politicus en daarvoor ben je gekozen. De bevolking moet die keuzes overlaten aan haar stadsbestuurders. Zo werkt de democratie nu eenmaal. Maar juist daarom ligt er een zware verantwoordelijkheid bij onze politici.

Ik ben zelf in de marges van de politiek actief, en daarom ben ik best bereid te erkennen, dat de lasten omhoog moeten. Ook mij, en de meesten van u, is een gezond milieu heel wat waard.

Maar wat het College nu doet, gaat alle perken te buiten. Het reinigingsrecht met 300% verhogen en de gemeentelijk belasting, de onroerendgoedbelasting, met 24%, een kwart dus, lijkt mij wel de allermakkelijkste oplossing, die de gemeente kiest om haar wensen te kunnen betalen.