64. 4 mei 1990

De voorzitter van de kunstcommissie sloot eindelijk de vergadering:

"Dames en heren, wij hebben de kunstenaar uitgenodigd om hier aanwezig te zijn om ons deelgenoot te laten zijn van zijn ideeën".

Met een plechtig gebaar deed hij de deur open van de vergaderruimte op het stadhuis. Een man in een wat sjofele regenjas trad de ruimte binnen.

"Wij hebben hem uitgekozen om te zorgen voor een kunstwerk op het nieuwe Breeplein".

"En, heeft u al een idee?", vroeg een commissielid.

De kunstenaar knikte bevestigend.

"Een obelisk", zei hij simpel. "Alle grote steden hebben er een. Rome, Parijs, Alexandrië, zelfs Leningrad. Het wordt een hele grote, zo'n vijftig, zestig meter. Uit marmer, vanwege de zeewind. En bovenop een beeld, dat iets met het ontzet te maken heeft. Van de Werf heeft al een standbeeld, dus ik denk aan beeld van Jan van der Does, of van een gewone Leidenaar. Die hebben tenslotte ook heel wat geleden tijdens het ontzet".

"Een obelisk. Geniaal", mompelden verschillende commissieleden.

"Ik stel voor", hernam de voorzitter, "dat wij nu even naar het Breeplein lopen met de kunstenaar, zodat wij de lokatie in ogenschouw kunnen nemen".

Ik liep even naast de ambtenaar, die ambtshalve lid is van de kunstcommissie, omdat hij over de kunstwerken gaat binnen de gemeente.

"Ergens vond ik wel jammer dat ze die wethouder van Verkeer eruit gegooid hebben," vertrouwde hij mij toe, "De stationspleinplannen kon ze niet in de hand houden, maar haar opvolger ook niet. Die projektontwikkelaars gaan toch hun eigen gang".

"Het zou een klein winkelcentrummetje worden", bevestigde ik, "met wat winkeltjes voor de treinreizigers".

"Precies", bevestigde de ambtenaar, "maar toch komt er een groot winkelcentrum, want die heren willen toch geld zien, voor wat ze investeren. Ze had best leuke ideeën, zoals die prijsvraag voor architekten, waarin ze hun verbeelding konden botvieren over hun visie op een nieuwe Leidse binnenstad", vervolgde hij.

"Precies", zei ik enthousiast, "want nu kan de gemeente het plan van die architekt uitvoeren, die de gebouwen van V&D en P&C wilde afbreken om er een groot evenementenplein voor in de plaats te maken, met een kunstwerk".

Wij wandelden inmiddels het immense Breeplein op, dat door enkele honderden paaltjes voor het autoverkeer was afgeschermd. Het warenhuis en het belendende kledingmagazijn waren waren net afgebroken, zodat er een grote stoffige zandvlakte was, want aan de bestrating werd nog gewerkt, terwijl er hier en daar nog afbraakpuin lag.

Op het plein aangekomen draaide de kunstenaar langzaam een shaggie.

"Dus hier moet mijn kunstwerk komen?", vroeg hij slechts.

De ambtenaar knikte bevestigend. De kunstenaar nam de lokatie kritisch op. Door zijn zonnebril heen zag ik zijn ogen het enorme plein aftasten. Van de panden aan de Breestraat, die door het plein al hun statigheid verloren leken te hebben en langs de kale muur van sociëteit Minerva naar de grachtenhuisjes van de Nieuwe Rijn. Tenslotte bleven zijn ogen bleven rusten op de toren van het stadhuis, die het immense plein leek te beheersen. "Dit is een ruimte in de stad", zei de ambtenaar, "die roept een kunstwerk. Het is de bedoeling, dat dit een multifunctioneel plein wordt, waarop van alles moet kunnen gebeuren".

De kunstenaar schudde zijn hoofd. "Hier kan geen obelisk staan", zei hij.

De voorzitter schrok hevig.

"Waarom niet?", vroeg hij. De kunstenaar wees op de stadhuistoren en zei:

"Die toren moet weg. Mijn obelisk moet de ruimte hebben".