65. 11 mei 1990

Hoe gaat een burger van een stad om met het vertrek van een wethouder? Een wethouder is toch een niet onbelangrijk figuur in de stedelijke samenleving. Tenslotte is het die persoon, die, zolang hij zijn funktie uitoefent, allerlei beslissingen neemt, die de burgers aangaan.

De trouwe luisteraars van deze columns weten, dat ik mij als columnist nogal heb opgewonden over het vertrek van wethouder Van der Molen. Over het vertrek van wethouder Tesselaar, die over de huisvesting ging, daarentegen, kan ik mij niet opwinden. Al vind ik wat merkwaardig, dat zo iemand vertrekt zonder toespraken en bloemen en slechts, terwijl hij bovenop een olifant van circus Renz zit, de onvergetelijke, welhaast historische woorden uitspreekt: "Nou bedankt allemaal. Tot ziens".

Hij was net vertrokken, -Je zou bijna zeggen dat de ambtenaren op zijn vertrek hebben gewacht- toen zij bekend maakten, dat het aantal woningzoekenden in Leiden de magisch grens van tienduizend heeft overschreden. Dat komt omdat de samenstelling van de Leidse bevolking de laatste jaren drastisch is veranderd. Het aantal eenpersoonshuishoudens en alleenstaanden is sterk toegenomen, door echtscheidingen en zo.

Onder meer heeft deze ontwikkeling tot gevolg, dat de vraag naar kleine wooneenheden sterk is gestegen, waar huisjesmelkers en kamerverhuurders op zijn ingesprongen, omdat zij juist die wooneenheden leveren, tegen vaak te hoge huren, zonder minimale voorzieningen.

Uit het rapport van de werkgroep van ambtenaren bleek hoe schrijnend de woningsituatie van Leiden is. De makelaars en projektontwikkelaars mochten kennelijk gewoon hun gang gaan en bouwden te duur en veel te weinig. De aansluiting bij de woningbehoefte was helemaal zoek.

Zou de wethouder nooit hebben kunnen kennisnemen van die duidelijke wijziging in de samenstelling van de Leidse bevolking. Zou hij nooit door zijn ambtenaren met cijfers zijn gewezen op het feit, dat er andere, minder grote woningen gebouwd moeten worden. Ik kan het mij niet voorstellen. Die cijfers waren er natuurlijk. En toch waren die voor hem geen reden om zijn beleid te wijzigen.

Zelf huur ik voor 800 gulden een bedompte woonruimte, waar de zon in de zomer een uurtje per dag weet door te dringen. Mijn toilet bevindt zich buitenshuis, aan een plaatsje, waar net mijn fiets kan staan. In de huur is gas en electra inbegrepen. Toch stond er enkele maanden geleden voor mijn deur een meneer van het energiebedrijf, die het huis kwam afsluiten van gas en electriciteit. De huisbaas had zijn energienota's nooit betaald, nooit gereageerd op aanmaningen en nu had het bedrijf er genoeg van.

Het kostte nogal moeite die meneer van het energiebedrijf ervan te overtuigen, dat ik er niets aan kon doen en dat hij zich toch echt moest vervoegen bij de huisbaas zelf en daar zijn geld moest halen. Tot mijn opluchting deed hij dat en aangezien ik tot nu toe nog steeds licht en gas heb, heeft hij kennelijk zijn geld gekregen. Dus daar ligt nog een aardig nieuw beleidspunt voor de gemeente. Daar waar huurders huur betalen inclusief energie, moet de huisbaas als leveringsadres worden aangemerkt, en niet het huis van de huurders. Achterstallige betalingen moeten door het energiebedrijf zelf in dit soort gevallen op de huisbaas worden verhaald, rechtstreeks, desnoods met de rechter, zonder de huurders erbij te betrekken.

De opvolger van Tesselaar heeft grote problemen. Hij moet immers het puin van zijn voorganger ruimen. Daarnaast moet hij een nieuw beleid gaan uitvinden en opbouwen.