66. 18 mei 1990

Voor Agnes

Voortdurend moest ik deze week denken aan het boek, misschien wel het mooiste, van de Vlaamse schrijver Marnix Gijsen, dat heet Klaaglied om Agnes. Bij het voorbereiden van deze column moest ik aan dit, volgens mij zo indrukwekkend, boek denken, toen ik weer terugdacht aan momenten in het afgelopen jaar, die ik met haar, Agnes, heb doorgebracht.

Gijsen vertelt in dat boek over zijn jeugdliefde. Met melancholische, stemmingsvolle zinnen, die eigenlijk meer gecomponeerd dan geschreven schijnen, beschrijft hij hoe zijn liefde tot Agnes verloopt, of meer hoe het afloopt. Daarom werd het een klaaglied. Hij was verliefd op zijn Agnes, maar zijn liefde verliep niet zoals hij dat wilde.

Ik ben echter nooit verliefd geworden op deze Agnes. Al vanaf het eerste moment, dat ik haar leerde kennen bij de radio, maakte zij een diepe indruk op mij. Maar toen al wist ik, dat verliefd worden op Agnes door mij een hovaardij zou zijn, een daad van hoogmoed, van, wat Vondel in de zeventiende eeuw 'staatzucht' noemde, dat is het verlangen naar iets, wat niet voor je is weggelegd, wat niet voor je is bestemd. Zoals je soms een etalage van een autoshop inkijkt en daar zo'n auto ziet staan, je kijkt er verlangend naar, je ziet je zelf er al mee rijden, trots als een pauw, maar je weet, dat het slechts dromen zijn, iets wat je werkelijk nooit zult meemaken. Iedere keer als ik Agnes zag, dacht ik bij mijzelf: "Tja, Agnes, dat is het eigenlijk wel zo'n beetje", maar ik wist dan tegelijkertijd, dat ik dat niet mocht denken, ik schaamde mij dan, wierp die ellendige gedachte verre van mij.

Mijn roman over Agnes zou precies het spiegelbeeld van die van Marnix Gijsen zijn. Hoewel zijn Agnes ook voor hem onbereikbaar, te ver, te hoogwaardig was, past zij daarenboven niet in zijn denkwereld.

Hij schrijft:

"Ik was van oordeel dat de man in de verhouding der geslachten de leider moest zijn, de verantwoordelijke, dat de vrouw hem vertrouwen moest schenken en hem volgen".

De sterke persoonlijkheid van zijn Agnes pikte die opvatting niet. Hij had haar maar te volgen, zij moest hem aanvaarden.

"Niets had mij -zo schrijft Gijsen in zijn boek- in mijn opvoeding en omgeving voorbereid om te aanvaarden dat Agnes een persoonlijkheid zou hebben die ik moest eerbiedigen".

Zij was zijn meerdere.

Hij voelde zich klein tegenover haar:

"Ik wist al te wel dat het werkwoord 'beminnen', zoals men het enkel in boeken leest of op het toneel hoort, in mijn mond potsierlijk zou hebben geklonken".

Ik zie de ranke en statige verschijning van mijn Agnes, met haar blonde haren en haar tintelende ogen, die de wereld in zich opnemen, waarin zij haar eigen weg baant.

En zie ik haar in dat rokerige en lawaaierige café, met een glas wijn, en mijzelf met een glas bier voor mij.

Dan zie ik haar weer met een gebietst sigaartje voor me zitten.

En dan zie ik haar weer praten, soms tot in de kleine uurtjes, dan verontwaardigd om iets wat ik zeg, dan weer begrijpend.

Mijn Agnes is onbereikbaar, omdat ik weet dat ze onbereikbaar is. Mijn liefde tot Agnes is een hoofse liefde, die van de middeleeuwse ridder, die te paard gezeten ten strijde trekt voor zijn jonkvrouwe, zijn koningin, maar haar nooit tot de zijne kan maken. De ridder weet dat, maar voor hem is het genoeg: de minzame blik, een simpel woord, dat zij tot hem richt, een vluchtige aanraking.