67. 25 mei 1990

De propvolle rondvaartschuit bewoog zich waardig door de grachten. Vanaf de brug zag ik drs Riesing, hoofd van de directie Econmische Zaken, op de plaats waar die hoort: die van de kapitein op de voorplecht met een megafoon voor zijn mond.

Hij was duidelijk in zijn element. Een hele boot vol topambtenaren van het ministerie en van de provincie. Ik wist dat Riesing dit soort dingetjes het aardige van zijn vak vond, zoals hij dat altijd noemde. Hij zei daar dan steeds direct achter, dat hij daar niet mee zei, dat hij vervelend werk had. Omgaan met directeuren en commissarissen, Raden van Bestuur had ook wel weer wat aantrekkelijks.

Leiden verkopen en bedrijven binnenhalen was zijn vak, zei hij steeds. Vandaag moest hij de stad aan ambtenaren verkopen. Zijn soortgenoten. Daar mocht hij niet veel moeite mee hebben. "Een paar miljoen haal ik wel binnen", pochte hij nog tegenover mij.

Ik zag hem wijzen op een of ander oud en historisch gebouw, dat aan de gracht stond.

"Ja", hoorde ik hem roepen. "Leiden is een stad waar geschiedenis en moderne tijden bij elkaar komen. Een harmonische eenheid vormen. Enerzijds een stad met een prachtig gerestaureerde binnenstad, waar men zich nog in het verleden kan wanen, anderzijds een zeer moderne stad, waar de modernste voozieningen voor fabrieken en bedrijven aanwezig zijn".

Wat hij onder de brug zei kon ik helaas niet verstaan, maar het moest leuk zijn, wat er klonk een daverend gelach.

"Die kratjes aan de voorplecht komen niet uit Leiden, maar uit Zoeterwoude, waar die fabriek nu eenmaal staat. Daar kan ik niks aan doen, maar er werken daar een heleboel Leidenaren", hoorde ik hem roepen, toen ze van onder de brug kwamen.

Ik zag zo'n gele krat de boot rond gaan.

"Wat een leuke toren daar", riep een ambtenaar, "Is dat een kerk?"

"Dat is het academiegebouw van de universiteit", riep Riesing met zijn geduldige stem. "We gaan hier van boord".

Er ging een gemompel van teleurstelling over de schuit. "U krijgt nu van de gemeente een drankje aangeboden", vervolgde hij, wat gevolgd werd door een goedkeurend gemompel. Ik was inmiddels aangekomen op de plaats waar de schuit afgemeerd was.

Riesing keek mij aan en zei, onhoorbaar voor anderen: "En eens kijken of wij wat geld van ze kunnen krijgen, want daar doe ik het allemaal voor".

"Maar het was toch ook leuk?", vroeg ik hem.

Verbaasd keek hij mij aan:

"Leuk? In mijn werk gebeurt nooit wat leuks. Denk je dat ik voor mijn lol op die rondvaartschuit zit met al die lui. De domste vragen stellen ze, over de stad en die gebouwen, maar over onze werkgelegenheidsproblemen, niets, op een paar oppervlakkigheden na. Neem het station, daar voeren we langs en ik ze vertellen over die plannen die er zijn. Kantoren bij knooppunten van het openbaar vervoer. Passend in het beleid van de provincie en van het rijk, zeggen ze: maar meneer Riesing, het barst van de kantoren hier in de regio. We kunnen geen kantoor meer zien. Waar ben je dan mee bezig. En dan komen we langs die Stichting Werkgelegenheid. Ik ze maar vertellen over al die startende bedrijven die daar zitten. Meer dan honderd arbeidsplaatsen. Dat vinden ze wel aardig. Wel aardig, Wortel. Dan plof je toch".

Het gezelschap liep nu door de Hortus, die in volle glorie lag te pronken.

"Ach", zei Riesing ontroerd, "Wat een prachtige planten staan hier toch. Ik moet hoognodig eens aan mijn tuin gaan werken. Misschien ben ik wel aan vakantie toe. Nog een paar van die rondvaarten en ze kunnen mij in een gracht donderen".