68. 1 juni 1990

Vorige maand verscheen er een jaarverslag, dat veel te weinig aandacht heeft gekregen. Ik bedoel het jaarverslag van de Leidse afdeling van de F.N.V., de Federatie Nederlandse Vakbeweging. In haar jaarverslag wordt een beeld gegeven van waar de afdeling allemaal mee bezig is. En dat is heel wat, want de vakbeweging is actief in alle maatschappelijke sectoren. Het jaarverslag geeft een overzicht van de enorme hoeveelheid werk, die de vakbeweging verzet.

Zo leest men in het jaarverslag, welke punten van bespreking er aan de orde zijn gekomen in het regelmatig, maar helaas niet officiëel overleg met de gemeente, het zogenaamde Platformoverleg Leids Bedrijfsleven: de high-tech- en bio-industrie, die, met name rond de universiteit, is ontstaan en die weliswaar als onderdeel van een gemeentelijk beleid, wordt ondersteund, maar ook met de nodige kritiek wordt gadegeslagen, omdat de Leidse werklozen, die in de kaartenbak van het arbeidsbureau zijn opgeslagen daarmee niet zo zijn geholpen. Dat geldt trouwens ook voor 't kantorenbeleid van de gemeente. De Leidse werkzoekende is nu eenmaal traditioneel handarbeider. Aan industrieën en produktiebedrijven is behoefte.

Ook is de FNV-afdeling een voorstander van vergroting van het voetgangersgebied in de binnenstad, flexibel terassenbeleid en dergelijke, want het bevordereen van het toerisme kan wel veel arbeidsplaatsen voor Leidenaren opleveren.

In het algemeen kun je afleiden uit het jaarverslag dat de relatie tussen gemeente en vakbeweging goed is. Ook de gemeente stelt het op prijs, dat de Leidse vakbeweging zich zo intensief met de stad bezighoudt.

Toch is er een wethouder die de confrontatie zoekt met de plaatselijke vakbeweging. Een van wie je dat niet verwacht. Dat een CDA-wethouder of VVD-wethouder van nature niets van de steeds maar lastige en opstandige vakbeweging moet hebben, kan iedereen wel begrijpen, want dat is in het verleden altijd zo geweest en zal ook wel altijd zo blijven. Maar juist met die wethouders is verstandhouding goed. Er is iets niet goed met de wethouder van Groen Links.

De FNV-afdeling heeft zitting in de zogenaamde RWW/WWV-commissie. Die commissie is 25 jaar geleden door de toenmalige wethouder Menken ingesteld. Het is een gemeentelijke commissie, waarin naast de vakbweging ook de overheid en het arbeidsbureau zitten. Zij heeft tot taak om toe te zien, dat de gemeente de wet op de werkloosheidsvoorziening correct uitvoert. In die commissie kom je aan de orde als je afwijkt van de gewone routine. Strafkortingen bijvoorbeeld, als de overheid vindt, dat je niet genoeg je best doet om nieuw werk te vinden of wanneer je werk, dat wordt aangeboden steeds maar weigert, hoewel de overheid van mening is, dat het werk passend is. De vakbeweging bekijkt of dat verwijt inderdaad terecht is. Zij is er dus om voor de uitkeringsgerechtigde op te komen en zijn belangen te behartigen.

Best wel belangrijk dus, dat ze daar zijn, want ze kunnen nog heel wat doen voor de betrokken persoon. De wethouder van Sociale Zaken, De la Mar, heeft per 1 mei 1990 de commissie uitgekleed, door deze zaken niet meer in de commissie te laten brengen. Nu komen nog alleen bezwaarschriften aan de orde.

En dan te bedenken, dat hij de commissie het liefste wilde opheffen. Een linkse wethouder, die een commissie wil opheffen, waarin de vakbeweging zeer belangrijk werk doet, waar het gaat om het behartigen van de belangen van uitkeringsgerechtigden, mag op zijn minst een opvallend politicus worden genoemd.