69. 8 juni 1990

Met zijn cape nog om loopt Dracula naast mij in het drassige weiland, waar de paarden staan. Hoewel hij er gevaarlijk uitziet met geronnen bloed rond zijn mond en op zijn kin, zijn de paarden daarvan niet het minst onder de indruk. Rustig grazen ze met een air van "wij, paarden, trappen er niet in; wij weten wie jij bent". Alleen de pony Klaaske wil zekerheid en komt naar ons toe, maar, slim als ie is, hij of zij ziet meteen dat het goed volk is.

Misschien kennen ze Dracula van de telvisie denk ik bij mezelf. Tenslotte moet je als modern paard in de twintigste-eeuwse maatschappij weten wat de mensen zoal bezig houdt.

"Daar achter loopt Urbanus", zegt Dracula, terwijl hij wijst naar een angstwekkend groot paard. "Urbi ging laatst boven op een kip liggen. Hij merkte daar helemaal niets van, en de kip ook niet, want die was er meteen geweest".

"Zo'n paard weegt wat", zeg ik maar.

Hij wijst verder naar een Fries paard en nog wat 'shets', zoals hij ze noemt, pony's uit Shetland, begrijp ik. Ik zie nog een schimmel en verderop lopen nog wat grote stevig uitziende beesten, "

W.P.N-'ers", zegt Dracula eenvoudig, wat Warmbloed Paarden Nederland betekent.

Echt op mijn gemak voel ik me niet, want een paard kijkt mij wantrouwend aan.

"Doen ze echt niets?", vraag ik voor de zekerheid.

Dracula lacht geruststellend:

"Zolang je maar niet hard wegloopt, want dan komt-ie achter je aan".

Ik durf mij nauwlijks te verroeren. Gelukkig gaat hij weer door met grazen. Ik kan mij eigenlijk niet goed voorstellen dat je op die dieren kan rijden en dat ze het goed vinden, dat een mens op zijn rug gaat zitten. Dracula zegt, dat de paarden dat prima vinden. Ze worden heel goed verzorgd. Ze hebben een warme stal en de manège heeft goeie spullen.

"Een goed leven hebben ze hier", verzekert Dracula, die daar aan toevoegt, dat ze in zomervakantie wel eens de hele dag op de wei staan en daar verschrikkelijk rond en dik van worden. Ondanks zijn vervaarlijke cape begint hij het koud te krijgen. Daarom lopen we weer terug naar het houten gebouw daar aan de Wassenaarse weg.

Manège "Moedig Voorwaarts" viert zijn verjaardag, al weet Dracula niet precies de hoeveelste. In ieder geval is de kantine vrolijk versierd. Achter de bar staat Charlie Chaplin, compleet met snor en wandelstok. Aan de muur hangen allerlei voorwerpen, die iets met paarden te maken hebben. Ik heb het gevoel een vreemde wereld binnen te komen. Met paarden heb ik mij eigenlijk nooit zo bezig gehouden en kontakten met mensen, die liefde voor dat dier koesteren en die hun leven voor een belangrijk deel daaraan besteden, heb ik nooit gehad.

Aan de bar hangt een giecheltje van een jaar of tien. Een jongen is ook als filmster verkleed, maar wie hij nu met een tulband van alluminiumfolie voorstelt weet ik nog steeds niet. Aan zijn manier van lopen en kijken kan ik zien, dat hij van het feest geniet.

"Wij hebben ook allerlei activiteiten voor gehandicapte kinderen. Die kunnen bij ons ook paardrijden", licht Dracula toe. Hij zegt verder dat daar veel gebruik van werd gemaakt. Trots vertelt hij, dat er toch zo'n tweehonderd lichamelijk en geestelijk gehandicapte kinderen bij hun paardrijden, De kinderen vinden het fantastisch om op een paard te rijden en de paarden zelf lijken het ook heel leuk te vinden. Tussen dieren en gehandicapte kinderen is altijd iets speciaals, dus verbaasd ben ik daar niet over. Wel dat een manège iets voor zulke kinderen doet. Diep onder de indruk fietste ik op mijn eigen tweewielig paard naar huis.