7. 3 februari 1989

Het raadslidmaatschap moet toch eigenlijk wel heel frustrerend zijn. Betere vrijetijdsbestedingen lijken mij mogelijk. Vooral die ellenlange vervelende vergaderingen, waarbij iedereen zonodig zijn zegje moet en wil doen, schijnen mij een kwelling. Als dat nou allemaal nieuw was voor je, maar meestal weet je al van te voren wat die vervelende vent of vrouw gaat zeggen. Maar goed, zult u zeggen, daar kiezen ze zelf voor. Sommigen vinden het zelfs leuk en genieten van dat politieke voetbalspel. "Politiek is een verslaving", zei het D'66-raadslid Hoekema bij zijn afscheid. Zo wordt het raadslidmaatschap voorgesteld als een leuke hobby, waarin mensen het tegen elkaar opnemen door middel van woordspel. In de zestiende eeuw organiseerden de rederijkers zoals de Leidse rederijkerskamer De Witte Acoleyen, die in de Zijlpoort bijeenkwam, regelmatig met drank opgevrolijkte vergaderingen. Men poneerde dan een stelling, waarover gedebatteerd werd. Daarbij was er een prijs uitgeloofd voor degene, die de beste retorica weggaf. Net zoals zo'n bijeenkomst van Leidse studenten kortgeleden over de vraag of de ideale relatie monogaam moet zijn of niet. De vraag is onbelangrijk, want het gaat om de wijze van debatteren. Kan iemand zijn argumenten zo goed verwoorden, dat hij een toehoorder, die in de zaal aanwezig is kan overtuigen van zijn gelijk. Nu is het een training voor welsprekendheid voor een student, met name voor de aankomende advocaat, die straks klinkende pleidooien kan gaan houden.

Maar ook de gemeenteraad doet mij af en toe denken aan zo'n rederijkerskamer. Het lijkt soms meer om het spel te gaan, dan om de essentie van het raadslidmaatschap, namelijk iets te bereiken voor die mensen, die iemand daarmee hebben bekleed. Ik neem direct aan, dat iemand die zitting gaat nemen in de raad bezeten is van allerlei idealen en de wil om dit keer eens echt wat tot stand te gaan brengen en zich, althans verbaal, agressief opstelt. Tot het moment, waarop hij tot de conclusie komt, dat hij niets opschiet. Dat hij alleen staat of dat zijn standpunt door te weinig anderen wordt overgenomen. Dat hij belachelijk wordt gemaakt, of tenminste zich zo voelt. Dan wordt ook hij rederijker. Met welgekozen woorden en prachtige volzinnen probeert hij zijn opponent te overtroeven. Hij weet wat hij moet zeggen en hoe hij dat moet doen. Hij beseft, dat hij nooit zal bereiken wat hij wilde, toen hij aan het werk begon. Hij kijkt in de notulen of er enkele door hem uitgesproken woorden daarin terug te vinden zijn en dan is hij tevreden.

Ik dacht in ieder geval: Het is goed dat D'66 altijd in de oppositie is gebleven. Als het raadslid zegt, na tien jaar in de raad te hebben gezeten: "We hebben niet de behoefte om het beleid helemaal om te gooien" - let eens op de arrogantie, alsof hij dat als splintertje kan! - "Daarvoor gaat het in Leiden allemaal heel redelijk", doet hij aan rederijkerij.

Mijn vaststelling is, dat er in Leiden de afgelopen tien jaar immers niets wezenlijks is veranderd: er is nog altijd een zeer hoge werkloosheid en grote woningnood, om maar iets te noemen. Zelfvoldaanheid wordt dan een begrijpelijke maskering van de eigen onmacht. In hetzelfde kranteartikel zegt hij trouwens: "Wat wij missen is een duidelijke achterban die zijn wortels heeft in de stad". Tja, D'66, je kunt niet alles hebben.