70. 15 juni 1990

Na mijn werk liep ik over de Breestraat, toen iemand op mij af kwam.

"Moet je horen", zei deze persoon, die ik herkende als zijnde een ambtenaar bij de Directie Economische Zaken van de gemeente, tegen mij, "Kom ik vanochtend op mijn werk, staat mijn baas met koffie en gebak klaar. Hij was in een zeer goede bui. Zo kennen wij hem niet. Anders is ie altijd gejaagd en de laatste tijd zelfs nerveus en zo. Zegt ie: jongens, ik heb een prettig bericht voor jullie en daarom tracteer ik. Ik heb gehoord, dat Wortel ophoudt met die afgrijselijke columns van hem op Omroep Rijnland. Eindelijk ben ik van die zeurkous af. Vorige week heb ik dat gehoord op de radio. Mijn directie nam hij steeds op de korrel. Eindelijk stopt hij er mee. Wortel, je had hem moeten zien, zo ontspannen als hij was".

Ik liep door. Niet ontevreden, nu ik wist, dat er naar mijn column geluisterd wordt.

Op het stadhuisplein kwam er weer iemand naar mij toe, die ik kende als een lid van de PvdA-fractie:

"Wat hoor, stop je met je column? Dat vind ik fijn om te horen. Want wij voelden je hete adem de laatste tijd wel erg in onze nek".

Ik keek hem vragend aan.

"Ja", zei hij, "Steeds had je maar kritiek op de partij en op de wethouders. Dat heeft zeer demotiverend gewerkt op de partij. Nu wordt de partij verscheurd door allerlei interne discussies. Op alles had je maar kritiek".

Ik liep weer door, want ik honger en ik wilde naar huis. Bovendien werd ik een beetje depri van al die commentaren. Waren mijn columns echt zo negatief, terwijl ik het allemaal zo goed bedoel? Na het eten wilde ik even nadenken over wat ik net hoorde. En waar zit je beter dan op een bankje aan een singel. In het Ankerpark had ik snel een bankje gevonden en ik keek naar de avondzon, die langzaam roder en roder werd.

Achter mij hoorde ik een zacht gekuch. Toen ik achterom keek, zag ik slechts een gans. Ik herkende hem meteen. Het was de ganzerik van het Witte Singel-koppel, die voor de sterrewacht steeds heen en weer zwemt.

"U bent wel erg ver van uw gebied", zei ik, eigenlijk wel blij, dat ik aanspraak had.

"Ach", sprak hij,"'s avonds mag ik graag nog even de singels afzwemmen en wat buurten bij de andere koppels. Ik zag u hier zitten. U ziet er wat neerslachtig uit. Is er iets?"

Ik vertelde hem wat mij onderweg naar mijn huis was overkomen.

"Ik begrijp u volkomen", zei hij toen ik klaar was. "U moet terugkomen. Vorige week zei er iemand per ongeluk in uw programma dat u er voor het laatst was. Meteen gaat het rommelen. Lees het ledenblaadje van die PvdA. Er is onvrede bij de kiezers, heb ik gelezen in een stukje van een raadslid, omdat de Leidenaar die partij de schuld geeft van, ik zeg het uit mijn hoofd, 'de blijvende schaarste aan sociale woningen', en die gast gaat verder met 'al kan dat ons niet verweten worden'. Toen ik dat las, dacht ik bij mezelf: meneer Wortel zou woest geworden zijn, want ze hebben een wethouder gehad, die zestien jaar lang over de huisvesting ging en bij vertrek meer dan 10.000 woningzoekenden achterlaat".

Ik keek hem aan en ik zei:

"Kijk, daarom stop ik er even mee. Ik heb geen zin meer om mij op te winden. Ik weet ook wel, dat deze rottige stad niet zonder een columnist kan. De stad moet nu eenmaal af en toe op zijn lazer hebben, maar ik moet ook aan mezelf denken. Ik ga eerst met vakantie".

De ganzerik liep naar het water en zei achteromkijkend: "Namens de Leidse Singelganzen wens ik u een prettige vakantie toe".

En hij zwaaide met zijn ganzevleugel.