71. 31 augustus 1990

Wat was het toch een verrukkelijk moment, toen ik het contactsleuteltje omdraaide en ik eindelijk mijn geleende auto in beweging kon zetten, teneinde mij naar zuidelijker streken te begeven. Wat een plezier had ik op het moment, toen ik het bordje met 'Leiden' doorgestreept er op passeerde. Eindelijk weg van deze kleinburgerlijke provinciestad, waar ze nog niet eens een behoorlijk station kunnen plannen. Weg van deze afgrijselijke studentenstad, stad der wetenschap. Laat mij niet lachen. Een stad die op zijn kop staat omdat er zo'n tentoonstelling uit Amerika komt overwaaien met voorwereldlijke monsters, met wetenschappelijk verantwoorde geluiden op een cassette. Weg van die bekrompen kleinzielige gemeente, die er maar niet in slaagt de puinhoop van de Breestraat eens ordentelijk te regelen. Wat een vreselijke stad! U merkt wel, zelfs in mijn auto wond ik me nog op over deze ellendige stad. Pas beneden de Moerdijk kalmeerde ik een beetje en rond Antwerpen daalde er een serene rust over mij. Het schakelen in die ellendige vijfversnellingenauto ging wat rustiger en vloeiender. Tussen Brussel en Namen, bij een steeds heter wordende zon, kreeg de vakantiestemming uiteindelijk toch de overhand. Wat zijn de Ardennen toch mooi. Idyllische dorpjes met een kerk en daartegenover de kroeg met verrukkelijk Belgisch Bier maakten mij definitief los van mijn stad. Zowaar dacht ik de stad te kunnen vergeten. Hoe kwam het toch, dat ik in ieder Luxemburgs gat, dat ik bezocht, steeds aan deze rottige stad moest denken. Dat kasteeltje in Vianden bijvoorbeeld. Een aardig kasteeltje, daar niet van, het schijnt zelfs iets met ons koningshuis te maken te hebben gehad. Waarom moest ik toen denken aan onze eigen Leidse burcht. En die is minstens even oud, maar veel echter, authentieker. En die staat ook op een heuvel. En in de stad Luxemburg liep ik over zo'n brug. Als je naar beneden kijkt zie je het nietige riviertje de Alzette. Die heeft dat enorme dal, dat dwars door de stad Luxemburg gaat, in de loop der tijden uitgeslepen. Wonderlijk, dat diepe dal. En mooi ook. Zeker, maar maakt dat die stad zo bijzonder? Leiden heeft ook een diep dal. Een diep financieel dal, weliswaar, maar toch. Zat ik aan een terrasje, dan zag ik de terrasjes in de binnenstad en dronk ik bier, dan proefde ik gewoon dat bier, dat in de Leidse kroegen wordt geschonken. Kortom, toen het weer tijd werd naar huis te gaan, vond ik het eigenlijk niet meer zo erg. Ik herinner me een uitspraak van een bevriende Leidenaar, die eens tegen me zei: "Je moet in het buitenland geweest zijn om Leiden te waarderen". Soms zou je daarom meerdere malen naar het buitenland moeten. Terug in Leiden was ik meteen weer thuis. Het centrum van de stad was snel gevonden. Een van de dinotentoonstelling ontsnapte dinosaurus was reeds voor mij uit gegaan en had op het wegdek zijn voetsporen achtergelaten. Aan het begin van de Haarlemmerstraat hielden die sporen op, waarschijnlijk omdat het arme dier zich niet veilig voelde vanwege de aanwezigheid van de Hartebrugboys. Elders in de stad, zo zag ik al snel, had de potente saurus kennelijk zijn sperma op het wegdek gedeponeerd, dat, rond de universiteit, op het plaveisel te zien was. Daar die zaadcellen echter niet naar het pesthuis toezwommen, waar de saurus vandaan kwam, maar naar een hol, waar studenten zich plegen op te houden, begreep ik, dat het hier om een studentikoze zaadlozing ging.

De studenten. Toen was ik echt weer terug.