72. 7 september 1990

Op dit moment voel ik mij in de Groenoordhallen niet zo op mijn gemak. Zoveel ondernemers bijelkaar op zo'n klein stukje Leidse grond. Toch heb ik geen gevoel van onveiligheid op dit moment. Trouwens, niemand moet proberen hier iets uit te halen. "Bij diefstal bellen we eerst om een ziekenauto en dan pas bellen we de politie", zag ik ergens staan in een winkel in de Haarlemmerstraat. Klare taal. Bij het rondlopen zag ik enkele potige ondernemers, waarbij ik, als eerzaam Leids burger, het niet in mijn hoofd zal halen om iets te gaan pikken.

Er schijnt iets mis te zijn met de veiligheid van de Haarlemmerstraat. Het plan om een paar heren te chareren, die beleefd, doch kordaat de winkeldief de deur zullen wijzen, zonder de zich toegëeigende goederen, schijnt niet door te gaan. De meeste winkeliers willen het benodigde geld niet dokken, gewoon omdat ze vinden dat de gemeentepolitie maar haar werk moet doen. Misschien ook wel, omdat het probleem eigenlijk wel meevalt. De opgeschoten jeugd, die zich pleegt op te houden bij de Hartebrugkerk en die, wat zekere wetenschapsmensen van een universiteit dan noemen, 'een gevoel van onveiligheid' bij de winkelende Leidenaren op zouden roepen, zijn toch ook weer vriendelijke jongens en meisjes, die gewoon gezellig voor een kletspraatje bijelkaar zitten en, een lekker jointje met hasj of zo blowen. Heel zelden halen ze een onschuldig geintje met een voorbijganger, of een vrouwelijke voorbijgangster, uit. Wederom onderschat de wetenschapper het fenomeen de 'Leidenaar'. Deze Leidenaar, inwoner van de stad Leiden dus, dient eens diepgaand

wetenschappelijk te worden onderzocht. Hij wijkt af van de gemiddelde Nederlander, omdat hij over enkele eigenschappenschikt, die bij de overige bewoners van dit lage land aan de Noordzee niet, of in ieder geval in mindere mate, wordt aangetroffen. De 'Homo Leidensis' is voor geen kleintje vervaard. Je moet het wel erg bont maken, wil je bij hem een gevoel van onveiligheid opwekken. Zelf vermoed ik, dat een dergelijke, niet onaardige, eigenschap, nog een overblijfsel is van het Leidse volksleven van voor de oorlog. De oudere exemplaren van dit volk, vooral die, die in het stadscentrum zijn opgegroeid, hadden toen ze nog jong waren, al te maken met een voortdurende strijd tegen andere buurten en stegen, en tegen de politie. Die kennen het gevoel van onveiligheid dus van jongs af aan. Dat verschijnsel zal dan ook niet snel worden aangetroffen bij hun. En dat blijkt ook uit het wetenschappelijk onderzoek. De wetenschappers dachten, dat de winkelende Leidenaar in de Haarlemmerstraat zich niet echt happy voelt, maar uit de talloze straatinterviews blijkt, dat hij, en zij ook trouwens, nauwlijks weet, waar de onderzoeker het over heeft. Gevoel van onveiligheid in deze gezellige winkelstraat? Nooit van gehoord, nee hoor, het is er juist erg gezellig. De Leidse politie weet dat na jarenlange omgang met die merkwaardige Leidenaar. De Hermandad haastte zich dan ook, om de wetenschappers te verstaan te geven, dat het in de Haarlemmerstraat allemaal best wel meevalt en dat de onveiligheid aldaar niet meer of minder is dan in de rest van de stad. Dat lijkt mij ook. Het is toch zo'n fijn gezicht, die jongeren op de door de gemeente gedoogde terrasjes van allerlei koffieshops te zien zitten, in het zonnetje, genietend van een lekker sigaretje en een kopje koffie of een onschuldig glaasje pils, gadegeslagen door vriendelijke Leidse politieagenten, die regelmatig met een auto langs rijdt. Van de Leidenaar mag dat.