74. 21 september 1990

Het was in mijn middagpauze, toen ik een wandelingetje door de Breestraat maakte. Hij kwam net statig de stadhuistrap af lopen, toen hij me zag. Joviaal ging zijn rechterhand om hoog voor een vriendelijke groet, terwijl hij met zijn linker zijn ambtsketen zijn binnenzak inwurmde.

"Dag, burgermeester", zei ik, en in een poging om leuker te zijn dan hij, grapte ik, "Bent u niet bang, dat ze uw ambtsketen uit uw binnenstad graaien?".

Hij lachte smakelijk, kennelijk dus een leuk grapje. "Nee, hoor", antwoordde hij, "Dit is mijn ambtsketen van blik. Mijn kostbare zwaar verzilverde ligt veilig boven in de la van mijn bureau. Deze mogen ze hebben van mij, ze kunnen er zelfs om vragen en dan krijgen ze 'm. Ik heb er nog een heleboel".

Hoe nu? Is de burgermeester leuker dan de columnist van Leiden Lokaal? Moet ik in hem mijn meerdere erkennen? Naarstig zocht ik naar een minstens even gevat antwoord, maar hij gaf me geen kans.

"Ik doe dat ding van blik om, als ik ondernemers ontvang van het soort, dat toch niet van plan is zich te vestigen in mijn stad. Dan hoef ik er niet over op te scheppen. Dan vertel ik ze over hoe armlastig mijn stad is en hoe hoog de werkloosheid. Ze zijn dol op het horen van al die cliché's, gewoon sensatiezucht. Maar dat kan ik natuurlijk niet doen met mijn kostbare zwaar verzilverde ambtsketen. Ik moet tenslotte geloofwaardig overkomen".

Inmiddels waren we al wat verder de Breestraat opgelopen. Uit een van de zakken van zijn colbert had hij een plastic zakje met vier boterhammen te voorschijn gehaald.

"Als je eens wist hoe dat er tien jaar gelden uitzag, toen ik kwam", zei hij, vlak voor een hap van een boterham, "Je kon er niet veiig lopen. Zelfs bij windstilte was de kans, dat je een dakpan op je hoofd kreeg erg groot, laat staan als het wat waaide. Prachtig toch, zoals ze dat allemaal hebben opgeknapt. Het ziet er toch allemaal puik uit. Vind je niet?"

Ik kon het slechts beamen.

"Zeker, burgermeester", zei ik, "Ik weet ook nog hoe het er tien jaar geleden uitzag. Als burger zag ik het hele opknappen niet meer zitten. Ik dacht, ze kunnen beter al die ouwe troep maar afbreken".

De burgermeester knorde instemmend.

"Precies wat ik toen ook dacht. Ik zei tegen mezelf: Cees, die rommel kunnen we beter met de grond gelijk maken. Maar gelukkig kwamen ik en het toenmalig College tot de conclusie, dat we dat niet konden doen. En, dat scheelde natuurlijk, er kwam van het rijk een enorme bom duiten vrij, waarmee ik aan de slag kon. Ik ben trots op het resultaat".

Om dat te illustreren bleef hij even staan en aanschouwde de statige gevelrij van de eeuwenoude panden, die de glorie van de stad van het verleden en het heden uitstraalden. Hij zuchtte diep en liep verder, een hap van zijn boterham nemend. Op een brug over de Nieuwe Rijn bleef hij weer staan. Hij wees naar de verte, over de gracht.

"Hier zie je goed, wat ik bedoel", zei hij, "Die gracht, het oude Leiden, en dan die moderne flat op de achtergrond. Wat een magnifieke combinatie. Hier ben ik burgermeester van deze stad voor geworden. Om dit te kunnen aanschouwen. Het ontroert me steeds weer. Hier wil ik nooit meer weg. Als ik met pensioen ga, wil ik op mijn laatste dag hier staan".

Hij liep weer naar het stadhuis, in het voorbijgaan nog even op het fonteintje wijzend, iets mompelend van "ook al pas geleden opgeknapt".

Het plastic zakje waar zijn boterhammen in verpakt waren geweest, had hij nog in zijn hand.

"Zeg, kerel", zei hij zich naar mij omdraaiend, "Zie jij hier nog een prullebak?"