76. 5 oktober 1990

Ik heb mij over dit punt duidelijk uitgelaten, meneer Wortel. Inderdaad, ik heb volstrekt geen zin in het wethoudersschap. Maar ja, de anderen wilden niet, en dan houdt alles op. Toen zij uiteindelijk mij benaderden, wisten ze dat ik ja zou zeggen. Antirevolutionaire achtergrond en ze weten dat ik mij dan verplicht voel, niet anders kan dan, om ja te zeggen. Mijn goede vader heeft mij bijgebracht, dat je niet voor verantwoordelijkheden moet weglopen, als je daartoe geroepen wordt. En daar maken ze misbruik van. Ik kan dus niet anders, maar voor mij graag een ander.

Ik heb een prachtige baan in het vrije bedrijfsleven, en dan ook nog een wetenschappelijke baan. Daar zat ik gebeiteld. Goed betaald ook, kon ik lekker van rond komen. Met een uitstekende loopbaanplanning. Een prachtige kamer had ik daar met een groot bureau. Kijkt u eens naar deze kamer. Ik word daar echt heel triest van. Al dat hout en die armoedige schilderijtjes. Die goedkope vergadertafel. Dat is toch niet representatief. Er zit helemaal geen creativiteit in.

Die dynamiek van het bedrijfsleven. Dat kan ik nu allemaal wel vergeten. Ik word er echt depressief van. De overheid en dan al die ambtenaren die ik in mijn maag gesplist heb gekregen. Een paar honderd ambtenaren heb ik. Nu kan ik ook nog al die reglementen en rechtspositietoestanden gaan doorlezen. De vakbonden staan al voor mijn deur te trappelen met hun eisenpakket. Eisenpakket, meneer Wortel. Maar ja, het moet maar. Je moet er toch mee praten. Nou ja, ik wacht maar even af, wat de heren in hun eisenpakket hebben. Als je uit het bedrijfsleven komt is toch wel even wennen.

En dan hier, kijkt u eens naar die belachelijke stapel papier. Moet ik allemaal lezen. Hier, deze stapel: welzijn, meneer Wortel, wat moet ik daar nu mee. Maar ja, ik heb nu eenmaal ook dat welzijn in mijn portefeuille. En als ik ergens geen zin in heb, dan wel welzijn. Dat is toch allemaal achterhaald, zeventiger jaren prietpraat, geitenwollen sokken. Dat softe gedoe. Dat ik mij daar allemaal mee moet bezig houden, wie had dat ooit gedacht. En alsof dat nog niet genoeg is, heb ik ook sport in die portefeuille. Dat is die andere stapel. Ik word er al moe van als ik er aan denk. Ik zie me al in zo'n joggingpak rondbanjeren, want ik vrees dat ik voortdurend moet opdraven bij al die evenementen die ze organiseren. Daar heb ik nou helemaal geen zin in. Ik mag graag naar voetballen kijken op de TV, maar als ik nu al denk aan al die aftrappen, die ik straks zal moeten gaan verrichten bij al die wedstrijden voor een goed doel, dan denk ik: waar ben ik in hemelsnaam mee begonnen.

Neem nu het bovenste stuk, ligt toevallig bovenop, afkomstig van zo'n ambtenaar: verzoek om subsidie. Allemaal vragen ze om geld. En zo zijn al die papieren. Dat is mijn werk nu: geld geven. Ik moet ze toch lezen. Ik zit nu eenmaal hier, en dan moet ik maar van maken, wat er van te maken valt.

Ik wil dit interview beëindigen, meneer Wortel. U vroeg mij zo beleefd of ik even met u wilde praten, en dat doe ik met tegenzin, maar ik vind niet dat ik u uit de weg moet gaan. Die antirevolutionaire achtergrond van mij zal mij nog eens opbreken. Maar ik hoef u niet uitgebreid te woord te staan. Daar heb ik helemaal geen zin in. Doet u die microfoon nou maar uit, dan drinken we nog wat. Dit is hele goede sherry. Ik kan fijn met u praten, meneer Wortel, maar u begrijpt mij toch wel, ik kom nu eenmaal uit het bedrijfsleven en dan is zo'n wethoudersschap toch eigenlijk niets. Vindt u dat ik het eigenlijk wel moet doen ...?