78. 26 oktober 1990

De dichter kwam bij mij op een ongewoon tijdstip op bezoek. Dichters hebben bij mij dat voorrecht. Daar zijn zij dichters voor. Zij hoeven zich niet te houden aan allerlei triviale conventies. Hij dus ook niet en ik liet hem binnen zonder enige opmerking te maken over het tijdstip, zes uur 's avonds.

Aan zijn sombere gelaatstrekken zag ik direct dat hij problemen had. Overigens wist ik dat ook al vanwege het feit dat hij langs kwam. In de tijd waarin ik hem ken weet ik dat hij bij mij zijn problemen dropt, mede ingegeven door het feit dat ik zijn lievelingswijn, een goedkope soort van een zelfsbedieningszaak, maar voor hem goed genoeg en duur genoeg.

"Je weet waar de wijn staat", zei ik om de deprimerende stilte te verbreken.

Zwijgend stond hij op en aan de knal bij het ontkurken van de fles hoorde ik, dat hij de weg naar en in de koelkast had gevonden. Hij voorzag zich van een bierglas, die hij meteen tot de rand volschonk. Er was iets erg mis met hem. Toen hij weer op de bank zat en zwijgend naar het tintelende glas staarde zei hij luid:

"Zij was toch zo'n verdomd knap wijf! Zo verdomde knap".

"Wie? Je had toch een vriendin. Is daar wat mee", vroeg ik hem.

"Nee", antwoordde hij, "daar is het lang al mee uit. Die heb ik al lang niet meer gezien. Het is nu My Lai. Een knap wijf, verdomde knap, Wortel".

Ik keek hem begripvol aan:

"Ja, een Chinese, die zijn knap, zeker".

"Verdomde knap, Wortel", riep hij.

Hij ledigde daarop het bierglas met die goedkope wijn in één keer. Onmiddellijk schonk de dichter het bierglas nogmaals tot de rand toe vol.

"Ik kwam haar tegen op Drie Oktober", vervolgde hij, "en ik met haar naar de kroeg. Drie Oktober vieren. Verdomme, jongen, wat kon ze zuipen. Voor elk biertje van mij sloeg zij een glas Jenever naar binnen".

Hij zweeg. Met enigszins trillende handen, de wijn begon al te werken, dronk hij het glas voor de helft leeg. "Wat kon ze zuipen. En ze werd steeds aanhaliger. Ze ging aan me zitten."

Hij dronk de rest van het glas leeg en pakte de fles om bij te schenken. Er zat nog wat in, maar niet veel.

"Je had nog een fles, hè?", vroeg hij, terwijl hij al opstond en zich langzaam naar mijn koelkast sleepte, mompelend zoiets van "zo'n verdomd knap wijf". De kurk verliet de fles met een hard plop-geluid, waarop hij de kamer weer binnen kwam.

"Toen de kroeg sloot, nodigde mij uit om met haar mee te gaan. Ze was te lazarus om nog op d'r benen te staan, dus ik moest 'r sowieso naar huis brengen".

Hij schonk het bierglas weer tot de rond vol. Met zorg zag ik, dat de fles van een ander huismerk, nog goedkoper, want een aanbieding van desbetreffende kruidenier.

"Ik weet nog, dat ik haar naar haar slaapkamer heb gebracht. En weet je, Wortel, Ik kan me niet meer herinneren wat er daarna gebeurd is. Ik werd naast haar weer wakker, in d'r bed. Maar heb ik nou geslapen, of is er wat gebeurd? Verdomd, jongen, ik weet het niet. Maar het was zo'n verdomd knap wijf".

Hij dronk het glas in één keer leeg en zuchtte diep.

"Zeg nou zelf, ik ben toch ook maar een man, een normale man?".

Hij schonk het glas weer vol, hij had dus binnen een kwartier twee flessen wijn soldaat gemaakt.

"Gisteren belde ze me op. Ze wilde met me praten over die nacht. Jezus jongen, praten over die nacht. Nee, meer wilde ze niet zeggen".

Ik zag dat hij langzaam maar zeker wegzakte in een weldadige en verlossende slaap. Een zacht en regelmatig geronk werd hoorbaar. Ik liet hem. Mensen met dit soort problemen moet je met rust laten. Hoe het is afgelopen vraag ik hem later wel eens.