79. 2 november 1990

Zal ik het doen of zal ik het niet doen, vroeg ik mij af. Ik stond bij de Gijselaarsbank en ik wilde toch naar de Hogewoerd, aan het andere eind van de Breestraat.

Ik schatte de situatie in, het zag er rustig uit, wat fietsers en er ging een bus net de Breestraat in, dus daar had ik geen last van.

Het moment leek gunstig. Ik keek nog even om mij heen, maar behalve een paar collega-fietsers en enkele voetgangers, zag ik geen weggebruikers. Zou ik mij bij die groep fietsers aansluiten? In een groep was je veilig, want die durfde die buschauffeurs niet aan. Maar schichtig verdween dat groepje.

Ik stond er dus alleen voor. Ik moest het er op wagen. Ik stapte dus maar op en ik fietste de Breestraat in. Als of hij er op gewacht had, hoorde ik vlak achter mij het zware gegrom van dat gele monster. Zo vlug als ik kon sprong ik van mijn fiets en trok hem razendsnel het trottoir op. Het achterwiel van mijn fiets ontsnapte net het grote maaiende voorwiel van de bus. Trillend stond ik daar. Pas toen dat grote bakbeest wat verder was, durfde ik weer op te stappen. De straat leek vrij. Van het Kort Rapenburg kwam niets aan.

Ik begon weer te fietsen. Vlak langs het trottoir leek mij wel veilig. Het angstzweet brak bij mij uit, toen ik het lage dreigende gegrom van weer zo'n geel ding hoorde. Hij kwam snel naderbij. Plots nam ik mij voor op de fiets te blijven zitten. Mijn klamme handen omklemden het stuur, mijn vingers aan de remmen, zodat ik er meteen af kon springen. Langzaam schoof het voertuig langs mij, de wielen draaiden heel dicht langs mij heen, ik voelde de turbulentie van de lucht, die door de wielen werd veroorzaakt. Wat is die bus lang, hij leek wel eindeloos. Het geluid van de motor leek steeds luider te worden. De letters van vervoersmaatschappij schoven een voor een langs mij H-Z-N. Plots kwamen die letters op mij af. De ruimte tussen die letters en het trottoir werden opeens kleiner. Ruimte en tijd vielen weg, mijn handelingen volgden elkaar snel en automatisch op. Ik dacht niet meer, ik leek op een dier, dat zich in doodsangst trachtte te bergen. Hoe ik op het trottoir ben gekomen, met mijn fiets tegen mijn aan, weet ik niet meer. Het gele monster stond alsof er niets aan de hand was langs het trottoir bij de abri en liet wat mensen binnen. Ik stond nu vlakbij het warenhuis, ik had dus al de helft van de Breestraat achter mij. Ik stapte weer op, mij zelf vermannend. Ik wilde naar de Hogewoerd. Ik stapte weer op, en reed langzaam achter het gele monster om. De straat leek vrij. De bus stond nog stil.Ik beseft dat onmiddellijk handelen geraden was. Nu of nooit. Ik vatte alle moed en begon te fietsen. Het gele monster begon meteen te grommen. Het trok op en dwong mij naar het midden van de weg. In mijn ooghoek zag ik die vreselijke letters N-Z-H-,betekende dat Nooit Zal Hij het halen? Opeens zag ik een tweede geel monster met zijn grijnzende voorkant op mij af komen. In een flits zag ik mijn leven als in een film aan mij voorbij trekken. Mijn moeder, mijn lagere school, mijn baas, mijn vriendin. Ik wist, dat voor mij het einde van de Breestraat was gekomen. Ik deed mijn ogen open. Links van mij zag ik geel, op slechts enkele centimeters van mijn handrem, en rechts van mij zag ik geel, ook op enkele centimeters van de andere handrem. Was ik in de hel? Toen ik omhoog keek, zag ik God. Hij had een NZH-pet op. En hij keek op mij neer. En hij zag er vriendelijk uit. En hij sprak en zeide: "Als u daar blijft staan, kunnen wij ons niet aan de dienstregeling houden".