80. 9 november 1990

Het is hommeles in columnistenland. Wellicht heeft u al gehoord, dat de hoofdredectie van de kwaliteitskrant NRC zijn columnist er uit heeft gegooid. Dan schrik ik toch wel even. Mijn collega-columnist bestond het te gewagen van een zekere zelfscensuur bij Joodse journalisten, wanneer zij in hun krant schreven over het Joods-Palestijnse probleem. Dat zou, volgens mijn collega-columnist tot gevolg hebben, dat een kritische houding tegenover de regering van de Joodse staat Israel ontbreekt. Ik durf daar nu niet op in te gaan, want ik besef, dat ik mij door mij daarmee te bemoeien, beweeg langs de grenzen der betamelijkheid.

Van al die commotie ben ik geschrokken. Nu ben ik slechts columnist bij een lokaal armetierig radiostationnetje, zo krijg ik bijvoorbeeld geen cent uitbetaald voor deze al 80 columns durende arbeidzaamheid voor deze noodlijdende radiozender. Maar daar wil ik het verder niet over hebben. Hoewel ik hierbij met enige afgunst denk aan de undercover van de Binnenlandse veiligheidsdienst, die het beluisteren van mijn column in zijn takenpakketje heeft, en iedere vrijdagavond omstreeks vijf over half acht zijn hoofdkwartier te Den Haag belt en fluisterend in de hoorn steeds maar weer moet zeggen: "Hier 006. Die column van Wortel was weer niks vanavond. Niets staatsgevaarlijks en geen overschrijding van de betamelijkheid. Tot de volgende week maar weer", maar daarvoor wel betaald wordt.

Al eerder heb ik voor deze microfoon de mening van Volkskrant-columnist Blokker aangehaald, die eens schreef: "De bestaande machtsverhoudingen zijn er [...] om voortdurend ondergraven, ondermijnd en tot ontploffing gebracht te worden".

De columnist is alleen uit hoofde van zijn taak voortdurend bezig bij de grenzen van de democratie en om te laten zien waar deze liggen overschrijdt hij ze wel eens. En dan heb je een conflict, niet alleen met de redactie van het medium van die columnist maar ook, positief gevolg, een discussie in de samenleving zelf over de exacte ligging van die grenzen. Sommige vinden die grenzen te eng, anderen daarentegen te ruim, maar de discussie gaat over die grens. Dan heeft de columnist, zelf inmiddels wegens onbetamelijkheid ontslagen, zo hij niet wegens belediging van een of andere maatschappelijke groepering of staatsgevaarlijk gedrag voor een rechter is gedaagd, zijn doel bereikt en dezin van zijn column aangetoond. Het leven van de columnist is niet eenvoudig, maar ook gevaarlijk. Ik zeg het toch maar weer eens. Wanneer zal de BVD van Ien Dales met loeiende sirenes - zij schijnen tegenwoordig namelijk openlijk te werken - hier de Leidse Hooigracht opstuiven en mij geboeid uit de studio afvoeren. Zou er ergens in het zendgebied een recorder meedraaien met deze column, waarvan de band morgen, of anders maandag na de koffie op een geheim bureau van deze veiligheidsdienst wordt afgedraaid?

Als ik mijn columns weer eens bekijk, begrijp ik, dat ik mij meerdere malen wel zeer dicht langs de afgrond der betamelijkheid heb bewogen. De gemeenteraad en het College van B & W van Leiden. krijgen toch regelmatig een uitbrander van mij, omdat ze zich niet houden aan de democratische regels, zoals die nu eenmaal in Nederland gelden. Van die krachtige taal schrik ik nu wel even. En Rijnland Radio heeft mij nog steeds laten begaan, net als de redactie van Leiden Lokaal. Beseffen ze wel welk enorm risico zij met mij als columnist lopen. Ik kan mij voortaan de opluchting voorstellen van de eindredactie van dit programma als mijn tune weer klinkt.

<