83. 30 november 1990

Wat zijn die polderlandschappen in de omgeving van Leiden mooi. Op mijn fiets ging ik daar in de rustige najaarszon, die de weilanden in een karmozijnen deken legde. Ik mijmerde net over de rimpelloze sloten, die het landschap versierden als linten van avondzon-rood, toen ik een zwaar motor-geluid hoorde. Ik keek verstoord op en ik zag een helicopter. Duidelijk van de Amerikaanse luchtmacht, United States Air Force, stond er tenminste op. Behendig zette de piloot zijn chopper voor mij op het fietspad, zodat ik zelfs krachtig moest remmen. De deur ging open en een breed glimlachende militair stapte uit. "Sorry", riep hij, "I think I'm Lost - Ik ben bang dat ik verdwaald ben. Where the hell lies Valkenburg - Waar verdikkie ligt Valkenburg?".

Ik staarde hem hulpeloos aan. "Welke Valkenburg bedoelt u? The one in South-Limburg or the one with the airfield?", grapte ik, nadrukkelijk om mijn eigen grap lachend, want ik weet niet of Amerikanen op weg naar de Golf zo'n leuk gevoel voor humor hebben. Maar ik ging direct serieus verder.

"Ik weet wel hoe je er op de fiets kunt komen", zei ik, natuurlijk in mijn beste Amerikaans, "Ik denk dat u die richting op moet", vervolgde ik, terwijl ik met mijn hand een vaag gebaar maakte in de richting waarvan ik dacht, dat Valkenburg zou liggen.

"Yeah, yeah. Het moet hier in buurt zijn", antwoordde de piloot, "maar al die weilanden lijken op elkaar".

Ik begreep hem volkomen, en ik begon maar niet over het mooie van die weilanden.

"Weet u wat", zei ik, "Ik fiets er wel even naar

toe. Vliegt u mij maar achterna".

"Good idea - goed idee", antwoordde hij enthousiast, "Maar fiets niet te snel".

En zo begaf ik mij dan op weg naar Valkenburg, die helicopter met een hoop lawaai schuin achter me. Terwijl ik op mijn fiets stapte, bedacht ik koortsachtig de kortste route naar het vliegmachineveld, maar ik zag geen andere mogelijkheid dan dwars door de stad te gaan. Al gauw had ik mijn fiets in de hoogste versnelling gezet, want ik bedacht ook, dat het al laat was en dat de piloot wel honger zou hebben. Bovendien kan ook ieder moment de oorlog in de Golf beginnen, en dan moet die piloot daar toch zijn. Door Leiderdorp ging het voorspoedig. Ik negeerde terwille van de verdediging van onze vrijheid en democratie alle rode lichten, en die hebben ze daar niet zo veel.

In Leiden werd het wat moeilijker.

Maar de piloot was behendig met zijn heli. De as van de Hooigracht hield hij aan en bleef zo mooi tussen de bebouwing. Wel ging hij bij het nemen van een bocht wel erg dicht over de zendmast van Omroep Rijnland, maar het ging net goed. Regelmatig keek ik achterom en omhoog en maakte dan een grote zwaai met mijn hand. Ik zag dan hoe hij zijn rechterhand met zijn duim omhoog een gebaar terug deed. Hij kon mij dus nog bijhouden. Op het stationsplein durfde ik niet door het fietserslicht te rijden en wachtte ik op groen. Ik heb veel over voor de vrijheid, maar er zijn grenzen. Geduldig bleef de Amerikaan hangen, boven het gebouw van de universiteit. Eindelijk ging het licht op groen en sprong ik weer op de pedalen. Via Leiden Zuid-West en de Haagse Schouw kwam ik dan in Valkenburg aan. Ik wenkte hem om even naar me toe te komen. Op het fietspad zette hij zijn machine neer.

"Hier moet het zijn", zei ik, en ik wees naar de landingslichten aan de andere kant van een sloot.

"Yeah, yeah", zei hij. "Dan vind ik het wel verder".

Terwijl hij opsteeg en naar mij wuifde ten afscheid, had ik het fijne gevoel toch iets tegen die Hoessein gedaan te hebben.