86. 21 december 1990

Hij had het steeds erg druk. Iedere dag en iedere avond had hij wel een vergadering. De postbode bracht dagelijks een stapel notulen, verslagen en rapporten bij hem, die soms nauwlijks door de brievenbus heen konden. Tot diep in de nacht was hij bezig met het lezen van al die vergaderstukken. Soms vroeg hij zich wel eens af, waarvoor hij dat allemaal deed. Maar, zo stelde hij het zichzelf steeds maar weer voor, hij vond het leuk het te doen. Heel af en toe dacht hij er aan, dat hij haar wel eens had gevraagd eens met hem ergens te gaan eten. Het was er niet van gekomen. Telkens kwam er iets tussen: een vergadering. Hij had het verschrikkelijk druk. Maar nu kwam het kerstfeest steeds dichterbij.

De vergaderingen werden minder en er kwam ook minder post binnen. Het kwam zelfs zover, dat hij wel eens een avond thuis was. En, als hij thuis was, nam hij een stapel achterstallig werk voor zich en hij merkte, dat zijn gedachtes daar niet altijd bij waren. Dan keek hij zijn eenvoudige kamer rond en merkte hij hoe leeg die was. En dan werd hij toch een beetje ongelukkig en voelde hij zich eenzaam en alleen. Toen hij haar weer eens tegen-kwam, dacht hij aan die afspraak. En zo gebeurde het, dat zij samen naar een eenvoudig restaurantje gingen om te eten. Op hun tafel brandde een kaars. Ze zaten tegenover elkaar. Eerst was hij onrustig. Wat had hij haar te zeggen. Moest hij gaan praten over al die vergaderingen, die hij meemaakte en waar die over gingen? Wat voor hem belangrijk was en welke beslissingen hij nu en dan moest nemen, het leek hem allemaal zo onbelangrijk. Het was zijn wereld, niet de hare. Hij voelde zich heel ver van haar af staan. Hij besefte op dat moment, toen hij haar in 't kaarslicht bezag,dat zijn leven helemaal geen vriendschap of liefde kende. Ze had het over allerlei dingen en dingetjes, die zover van hem afstonden, over haar leven, over wat haar bezig hield en waar hij eigenlijk nog nooit over had nagedacht.

Hij voelde zich opeens heel onbestemd, een gevoel, dat hij niet kende. Een gevoel van geluk. En daarom was dit voor hem het gelukkigste kerstfeest, dat hij ooit gehad had. Nadat zij heerlijk hadden gegeten, bracht hij haar naar huis. Het was net koopavond. De van de natte sneeuw en regen glibberige straten waren nog druk.

Het liep al tegen de klok van negen uur. De druilerige en wat glibberige straten van de stad werden al wat leger. De winkels maakten aanstalten om te sluiten. De borden en andere voorwerpen, die de winkeliers op straat zetten en waar de mensen voortdurend tegen aan lopen, werden hier en daar al binnen gehaald. Iedereen ging al naar huis. Ook ik liep in versnelde pas naar mijn woning. Ik zag de kerstman aankomen op zijn arreslee, maar ik sloeg geen acht op hem. Het was toch de door de middenstand ingehuurde kerstman, die tijdens de koopavonden en overdag heen en weer door het winkelcentrum van de binnenstad rondrijdt.

"U moet ik even hebben", riep de kerstman vanaf zijn arreslee met een zware bas tegen mij. "Ho! Rudolf", riep hij tegen het rendier, dat de slee voorttrok.

Ik bleef staan, want het rendier versperde met zijn geweldig gewei mijn weg. Het was echt spannend voor mij, want ik had dit jaar van de Sint geen last, hoewel ik die persoonlijk heb ontmoet, maar dat toen ging heel vriendelijk, maar deze kerstman, de echte, keek mij streng aan.

"Tja", zei hij, "U bent heeft toch iedere week voor de radio een column? Uw kerstverhaal van vorig jaar was heel mooi, en wat wordt uw kerstverhaal dit jaar?".