9. 17 februari 1989

Vorige week kreeg ik een lijvig pak papier onder ogen, stampvol met voorstellen om de, wat dan heet, langdurige werkloosheid te bestrijden. Langdurig werkloos ben je, als je langer dan twee jaar geen werk heb gehad. In januari van dit jaar waren er in onze stad 6156 werkzoekenden en ik heb me laten vertellen dat het hier gaat om een groep van ongeveer 1500 personen. De moeite waard om daar iets voor te doen. Plannen zat dus, en als ze maar een fractie zouden waarmaken van de doelstelling waarvoor ze zijn bedacht, dan waren we al heel wat dichter bij de oplossing van dit netelige probleem.

Een van de plannen behelst het zogenaamde 'werkcontract'. Dat houdt in, dat de gemeente naar een ondernemer stapt en hem vraagt om een werkplek in te richten voor een langdurig werkloze. Men denkt aan grote bedrijven, met name aan industrieën, banken en dergelijke. De overheid, dus de gemeente in dit geval, betaalt een groot gedeelte van het loon en zorgt voor scholing, op haar kosten, binnen of buiten het bedrijf. Er zijn dus twee doelen: het opdoen van werkervaring, want de betrokkene moet produktief werk doen, en scholing. De gemeente loopt zich het vuur uit de sloffen om een arbeidsplaats te versieren bij een ondernemer. Het komt er neer, dat een werkgever een arbeidsplaats cadeau krijgt. Welke werkgever zou daar niet voor in zijn. Maar, zoals bij alle cadeautjes, die de overheid aan haar burgers geeft, zit er een addertje onder het gras. Na uiterlijk twee jaar moet de werkloze een vaste aanstelling krijgen. Pas dan heeft de langdurig werkloze zijn werkstek. Zo staat het op papier. Zal hij worden aangenomen, als hij volledig door zijn nieuwe werkgever moet worden betaald? Hij is zo'n bedrijf binnengekomen, terwijl de werkgever hem helemaal niet nodig had voor het produktieproces. Het ging dus eigenlijk om een extra arbeidsplaats bij die onderneming en na twee jaar vraagt de overheid aan die ondernemer om zijn bedrijf met een arbeidsplaats uit te breiden. Een ondernemer heeft een planning, waarin hij bepaalt of hij zijn onderneming wil uitbreiden, en als hij dat wil, zoekt hij nieuw personeel door middel van een advertentie in de krant, of in de kaartenbak van het arbeidsbureau. Hij kijkt dan niet alleen naar de genoten opleiding, maar ook naar het arbeidsverleden. Wat hij, ondernemer, niet wil is een probleemgeval in huis halen. Hoe hard dat ook klinkt, maar iemand, die in het kader van een project van de sociale dienst naar voren wordt geschoven, gewoon omdat die persoon door gebrek aan opleiding, motivatie en dergelijke, via een gewone sollicitatieprocedure niet aan de bak komt, wordt nu eenmaal als probleemgeval beschouwd. Zelfs als die persoon volledig door subsidies zou worden betaald, zal de zakelijk ingestelde werkgever niet geestdriftig toehappen, hoe sterk een ambtenaar van de gemeente met allerlei ethische argumenten hem zal bestoken.

En om wat voor werk zal het gaan. In het kader van het project gaat het om laaggeschoold of ongeschoold werk, waar een korte opleiding, bijvoorbeeld van enkele weken voor nodig is. Waar vind je dat werk in Leiden of in de omgeving. Dat is er helemaal niet en als er al een aanbod is in dat soort werk, dan zijn er tientallen, die kort werkloos zijn, en die dat werk kunnen en willen doen. En die de voorkeur hebben van de ondernemer. Want winstoogmerk en bedrijfsbelang gaan moeilijk samen met maatschappelijke verantwoordelijkheid.